
Hóóg…
Nu de kinderen niet meer kwamen, al had masjinist de hoop nog niet helemaal opgegeven, besloot hij een leven voor zichzelf te beginnen. Tom liet hem altijd in zijn locomotief zitten. Dat vond masjinist best, een poppetje van plastic heeft niet veel lichaamsbeweging nodig, maar hij begon zich wel erg te vervelen. Hij was zijn trein uitgekropen en had zijn intrek genomen in een klein boerderijtje aan de overkant van het spoor. Het ging wat moeizaam met twee benen die hij alleen tegelijk kon bewegen en dan nog in dezelfde richting ook, maar het ging. En als het vandaag niet zo was, dan ging het morgen wel weer. Van tijd had hij niet veel besef. Toch probeerde hij zoveel mogelijk regelmaat in zijn bestaan te bouwen.
Elke morgen stond hij op als de haan kraaide en zat hij een tijdje aan de ontbijttafel. Eten of drinken had hij niet in huis, maar dat gaf niet. De plastic machinist kon helemaal niet eten, hij kon niet eens zijn mond open doen. Die was met een dun lijntje op zijn hoofd geschilderd. Masjinist was er echter niet zo zeker van dat hij nooit gegeten had. Hij kon bijna de smaak van versgebakken brood proeven als hij rook wat de oma van Maryse bakte. Ook bijzonder, want een neus had hij al helemáál niet.
Aan tafel mijmerde masjinist vaak over Tom. Hoe zou het met zijn vriend gaan? Hij wist zeker dat Tom hem niet in de steek gelaten had, Tom durfde Maryse gewoon niet tegen te spreken. En hoewel het Toms Treinmaatschappij was, lag de baan op de grond van Maryse’s kamer bij haar oma op de boerderij. Hij herinnerde zich hoe die twee ruzie gekregen hadden over het station.
Het was masjinist al eerder opgevallen dat Maryse de laatste tijd brieven kreeg van een jongeman wiens naam ze minutenlang achter elkaar kon fluisteren. Die brieven bewaarde ze in het stationsgebouw, omdat dat het enige gebouw was dat van onder niet open was. De deur had ze met een klein slotje afgesloten en ze was jammer genoeg ook zo slim geweest de batterijen eruit te halen, zodat de lift niet meer door de Tom en Faber bediend kon worden en dus ook niet door masjinist. Hoe komen de reizigers nu van het perron, had masjinist zich afgevraagd.

‘Hoe komen die reizigers nu van het perron?’
‘Die gaan maar via het trapje aan de zijkant naast de kaartjesverkoop,’ had Maryse geantwoord.
‘Maar dat is een heel smal trapje zonder leuning. Dat kan toch niet bij een goede maatschappij!’
‘Dan springen ze er maar vanaf. Ze zijn van plastic hoor. Ze zullen echt niet kapot gaan. Jij bent ook nog zo onvolwassen jij, dat je met poppetjes speelt.’
Tom voelde zijn hoofd rood worden van woede. ‘Maar als er nou mensen met de trein willen die in een rolstoel zitten? Of die niet kunnen lopen?’
‘Dan kieper je die maar lekker over de rand. Het station blijft gesloten. Wegens…. euh, renovatie.’ Ze had er hard en hatelijk bij gelachen. Terwijl ze wist dat Toms oma in een rolstoel zat en graag met de trein reisde.
Masjinist was net zo van haar lachen geschrokken als Tom van haar woorden. Dan kieper je die maar lekker over de rand. Zo ging dat in de echte wereld toch ook niet? Gehandicapten en ouderen werden juist met respect behandeld. Die hadden een streepje voor. Daar stond je voor op en die bood je een helpende hand. Die liet je niet in de kou staan. Nooit niet. Dat zou toch geen enkele treinmaatschappij in zijn hoofd halen?
Masjinist dacht aan de woorden van Tom en Maryse woorden toen hij naar het station liep. Als machinist kon hij moeilijk over het spoor lopen en zich aan de perronrand optrekken. Dat zou een slecht voorbeeld zijn voor de reizigers. En hij had een voorbeeldfunctie, ook al was zijn uniform op zijn lichaam geschilderd en liep hij in feite poedelnaakt rond. Aangezien het gebouwtje afgesloten was, zat er dus niets anders op dan via een gevaarlijk, donker tunneltje naar de andere kant van het station te klauteren. Daar moest hij een steile trap met smalle treden omhoog en dan een paar goederensporen oversteken, voordat hij bij het personeelsverblijf kon komen.
Maar zo gemakkelijk ging dat vandaag nog niet. Op de weg door het tunneltje stonden vakantiebussen en een auto geparkeerd. Die auto zorgde ervoor dat masjinist niet langs de bussen naar de andere kant kon lopen. Hij had wel naar die auto kunnen lopen om aan de bestuurder te vragen zijn voertuig een stukje opzij te zetten, maar dat durfde hij niet. De bestuurder was namelijk uitgestapt om zijn oude moeder in een rolstoel te hijsen. Stel je voor dat masjinist een opmerking gemaakt had over het blokkeren van de hele weg, dan had hij vast als antwoord te horen gekregen dat Toms Treinmaatschappij schandalig met gehandicapten omging. Die konden al bijna twee jaar niet meer met de trein reizen omdat de lift afgesloten was. Nee, in dat geval kon masjinist alleen maar met zijn staart tussen de benen afdruipen en dus wachtte hij geduldig tot moeder in de rolstoel zat en de man met de auto vertrokken was.

Wij zullen fóórd gaan…
Nu moest hij wel opschieten, want hij moest eigenlijk om tien uur beginnen en het was nu al tien over tien. Zodra hij de trap opgeklommen was, wachtte hem echter opnieuw een onaangename verrassing. Het spoor werd geblokkeerd door een goederentrein. En die leek ook nog eens heel lang te blijven staan. Het enige dat erop zat, was om de trein heenlopen. Maar de struiken langs de zijkant van het spoor waren uitgegroeid tot heuse oerwoudplanten en stonden met hun takken tegen de trein. Daar kon niemand tussendoor zonder de trein te raken. Als de trein plotseling ging rijden, zou die je mee sleuren tot wie weet waar. Masjinist bleef dus maar wat in de schaduw rondhangen. Hij kon het nog wel via het smalle trappetje proberen, maar dat was ook minstens twintig minuten omlopen. Dan was deze trein waarschijnlijk allang weg.
Hij strekte zich zo ver mogelijk uit en keek op de goederenrein. Die was beladen met tientalen nieuwe auto’s. Als hij er daarvan eens een kon pakken. Maar alles was

De Lift, bron van strijd
goed vastgezet en de auto’s konden alleen via de achterkant de trein af rijden en dat was ver weg van waar hij stond. Hij keek nog eens goed, maar hij zag ook geen mogelijkheid op de trein te klimmen om snel over te steken. Op de plaats waar het trapje gezeten hadden, zat nu een hendel voor een soort lift. Er was een grote sticker naast geplakt die duidelijk maakte dat het verboden was de lift te bedienen.
Ja, dat weten we nu wel, bromde masjinist onhoorbaar.
Was onder de trein door misschien een optie? Met zijn lengte van nog geen tien centimeter moest dat natuurlijk best mogelijk zijn. Hij was bij elkaar nu al drie kwartier aan het wachten. Zo kon dat toch niet, er moesten treinen gereden worden. Het perron stond vol mensen. Die hadden vast haast en wilden vertrekken. Nou ja, dat wist masjinist eigenlijk niet. Hoewel die reizigers net zo plastic waren als hijzelf, leken ze geen enkele poging te doen om te bewegen. Dag in, dag uit stonden ze daar in precies dezelfde houding. Masjinist wist dat het bedrog was. In zijn slaap kon hij ze soms volhoofd horen schelden. Ja zo bedoelden ze het, als scheldwoord. Volhoofd, volhoofd; hij wist niet wat ze ermee bedoelden, maar het maakte hem op de een of andere manier anders dan de rest. Daarom werd hij nooit begroet.
Nou ja, beter een volhoofd dan een leeghoofd, dacht masjinist bij zichzelf. Hij kon zich niet langer beheersen en liep langzaam op het spoor af. Klaar om onder de goederentrein door te lopen. Steeds dichter naderde hij de metalen rails. Steeds dichterbij, tot hij het roestende ijzer kon ruiken. Natuurlijk kwam op dat moment de trein in beweging. Machinist ging kalm op de grond liggen. Op een betonnen biels buiten de rails. Hij wachtte gespannen op wat komen ging. Hij lag te ver weg van de rails om door de trein geraakt te worden. Daar maakte hij zich geen zorgen over. Hij vond het ook wel spannend om de onderkant van de trein over zich heen te zien gaan. Hij was echter wat huiverig voor de luchtverplaatsing. Geen probleem als hij weggeblazen zou worden. Dan zou hij in de struiken belanden. Maar hij was bang dat de trein hem naar binnen zou zuigen. Dat hij meegesleept zou worden in een dodelijke zucht wind. Dat hij verpletterd zou worden onder de wielen van een trein.
De goederentrein was veel langer dan hij had gedacht. Hoeveel wagens waren er nu al over zijn hoof getrokken. Twintig? Misschien wel dertig. Of veertig. Hij kreeg het er benauwd van. Dat je geen lippen hebt en je mond niet kunt openen, wil nog niet zeggen dat je niet in ademnood kunt raken. Ook al heb je helemaal geen longen, door een paniekaanval kun je toch gaan hyperventileren. En het ging maar door, wagen na wagen na wagen. Het werd hem langzaam wit voor de ogen.

Eronderdoor gaan
Stralend wit, maar niet verblindend. Waar was hij? Hij hoorde geen enkel geluid. Was dit wit echt wit, of was het een kleurloze nevel die alleen maar wit leek? Masjinist vroeg het zich af toen hij een bekend gezicht uit de mist tevoorschijn zag komen.
Tom, wilde hij roepen. Tom, ik ben hier. Hij wist op dat moment zeker dat hij kon praten als hij het echt wilde. Hij kon schreeuwen, hij kon om hulp roepen. Maar toen de eerste klanken zich op zijn lippen vormden, flitste een spookbeeld zijn hoofd binnen. Het gezicht van een jonge vrouw die hij ooit gekend moest hebben. Een godin wellicht. Ze keek hem streng aan en wees met haar vinger in het niets. Ze verdween even snel als ze verschenen was.
‘Zestig woorden, ik heb het begrepen.’ Masjinist zei het in zichzelf, niet hardop. Achter beelden ontstonden nieuwe beelden. Hij zag zijn hart op een weegschaal. Hij voelde een gruwelijke pijn. En zestig woorden. En een veer. Een verloren veer. Een veer die hij moest zoeken. Waar moest hij zoeken?
Hij zag boven zich iets bewegen.
‘Horus? Kom je me opnieuw redden?’ Dat waren zes van zijn zestig woorden. Verspilde woorden omdat niemand ze gehoord had. Horus was in geen velden of wegen te bekennen. Hij voelde de klauw niet die hem greep.