Respecteer Artikel 1 en Artikel 7 van de Grondwet.
Teken hier de petitie.
Klik hier voor meer informatie.
Klik hier voor meer informatie.
Kan iemand van plastic sterven?
Hoe komt het dat hij dan wel kan denken?
Of denkt hij dat maar?
Zweeft hij tussen leven en dood?
Of geldt zelfs voor kunststof:
Plastic to plastic, dust to dust…
…Ashes to ashes, plastic to plastic.
Hoe het ook verder gaat…
Deze beelden komen uit zijn herinnering…
Beelden uit een ver verleden,
Of,
Beelden uit de toekomst?
Voorlopig… …gipolrooV
Beelden uit het duister,
Ze moeten daar ooit opgeslagen zijn,
In een donkere kamer,
Wachtend op ontwikkeling,
En afdrukken…!
*_*_*
Vraag een machinist op het station naar zijn tuin en hij zal met zijn vinger naar een kale, dorre vlakte met zwart en roestig puin wijzen, waarin slechts enkele rood/witte stopborden voor wat kleur zorgen. Over winterharde planten, rotsbewoners of struiken vol vlinders, zul je hem niets horen zeggen. Ik heb eens een ontwerp voor een moerastuin ingediend, die treinen zou camoufleren tegen graffitikunstenaars en bovendien het personeel verkoeling kon brengen in de zomer, maar die tekening werd lachend naar de prullenbak verbannen. De directie heeft mijn ontwerp, waar toch uren werk in zat, waarschijnlijk nooit onder ogen gehad.
De machinist die een rangeerdienst heeft, is in de zomer dus veroordeeld tot het doorkruisen van een woestijn van gloeiende basaltblokken om vervolgens in de snikhete cabine van een trein te klimmen en druipend van het zweet te wachten tot hij ‘naar boven’ mag. ‘Naar boven’ betekent in dit geval niet de hemel, maar het perron. Een hemel vergeleken bij de helse tuin.
In de droge periode, vlak voor de zomer van 2011, groeide er echter een zonderling plantje tussen de spoorrails. Sommigen zeiden dat het onkruid was, een enkeling hield het zelfs voor gevaarlijk en giftig. Het leek masjinist nog het meeste op The Red Weed uit H.G. Wells’ War of the Worlds. Terecht was hij bang voor het plantje, masjinist is namelijk maar een paar centimeter groot. Voor hem was het geen gemakkelijk te vertrappen onkruid, nee, hij zag het als een enorme boom, waarvan de takken hem elk moment omver konden werpen of erger nog, optillen en vermorzelen.
De plantjes hielden gelukkig niet van natte voeten en de zomer van 2011 valt gerust nat te noemen. Behalve nat werd de tuin nu ook glad. De rangeermachinist belandde letterlijk van de wal in de sloot. Een moerastuin had het regenwater wel op kunnen vangen en afvoeren. Misschien moet ik een nieuwe poging wagen en mijn ontwerp alsnog naar de directie sturen. Zouden ze daar weten wat een ‘tuin’ is? Vast wel, maar zouden ze ook weten hoe de tuin van een machinist eruitziet? Masjinist heeft er zo zijn eigen ideeën over. Rond zijn spoor zie je geen plekken die er zo somber uitzien als de gemiddelde tuin van een spoormachinist. Maar sinds de kinderen vertrokken zijn, vertoont masjinist niet zoveel tekenen van leven meer. Zijn tuin blijft eeuwig groen, maar die kleur wordt langzaam aan het oog onttrokken wordt door een groeiende laag grijs stof.
Zaterdag 26 november schitterde Het Brabants Orkest in Muziekgebouw Frits Philips Eindhoven. De zaal was vrijwel uitverkocht, de musici hadden er zin in. Voor een paar uur werden de donkere wolken die boven het orkest hangen, verjaagd door de Cubaanse zon. De muzikale weergod die dit wonder verrichtte, was Jorge Luis Prats. Vanwege de isolatie van Cuba tot zijn vijftigste een onbekende pianist, sinds een paar jaar een wereldberoemd vertolker van een zeer gevarieerd assortiment muziekstijlen.
Zaterdagavond
…draaide het om het derde pianoconcert van Rachmaninov, een vreselijk moeilijk werk met een virtuoze pianopartij. Pianist Gary Graffman beweerde dat hij het werk in zijn jeugd nooit ingestudeerd had omdat hij zichzelf te jong vond om angst te kennen. Angst leek Prats in het geheel niet in zijn greep te hebben. Hij speelde de muziek alsof hij verwonderd rondliep in een exotische botanische tuin. Dan weer mooi gedragen, dan als razendsnelle duivelsdans, een storm en een kalm meertje waarop zwanen zich hergroeperen. De handlangers van de angst waren echter voelbaar in de zaal aanwezig.
Er lag namelijk een hele donkere, zeg maar inktzwarte, onheilsplek in Prats’ botanische tuin. Een kerkhof waaruit zelfs het licht niet kon ontsnappen. Verschillende keren deed de combinatie van piano en orkest me denken aan een Requiemmis. Ik zweer dat ik ze gezien heb, donkere schaduwen die achter mij over de muur trokken, zonder dat ze ergens door veroorzaakt werden. Niet één keer, maar vijf of zes keer. Anderen moeten het ook gezien hebben. Zo luguber, ik kreeg het er bijna koud van. Zou Prats, gewild of ongewild, het Brabants culturele lot met dat van Het Brabants Orkest in het bijzonder, in zijn vingers hebben gehad?
Tijdens de staande ovatie
…maakte ik, zoals gebruikelijk, enkele foto’s. Als een echte verrassing kwam het niet. Na Reinbert de Leeuw en Kees van Kooten, kwam ook Prats niet scherp op de foto. Eerst dacht ik dat het aan mijn fotocamera lag, of dat ik te veel trilde bij het indrukken van de ontspanner, maar langzaam wordt me de ware reden duidelijk.
De Groten onder de Kunstenaars, creëren een wereld van zichzelf die zo echt is, dat ze letterlijk van de ene wereld naar de andere kunnen stappen. Vaak bevinden ze zich zelfs in beide werelden tegelijk. Reinbert de Leeuw dirigeerde tijdens het Oestvolskajafestival in Amsterdam Asko|Schönberg, terwijl hij tegelijk met de reeds overleden componiste naar zijn eigen verrichtingen zat te kijken. Hij wist haar zelfs een moment weer tot leven te wekken door haar mee terug te nemen. De hele zaal heeft het gevoeld. Kees van Kooten vertelde een verhaal over echt, net echt en niet echt, maar de grens tussen waarheid en leugen was voor hemzelf al tientallen jaren vaag en betwistbaar.
Musici, auteurs
…en andere Grote Kunstenaars, brengen een belangrijk deel van hun leven in fantasie door. Het oeuvre dat ze nalaten, bevat daar slechts een fractie van. Zie je een componist maar voor de helft, dan dwaalt de andere helft door zijn eigen fantasie, op zoek naar nieuwe creaties. Vijftig procent zichtbaarheid is voor een Kunstenaar heel normaal. Verdwijnt hij voor tachtig procent, dan kun je spreken van een vakidioot. Een eigenwijze, zijn zin doordrijvende, met niemand rekening houdende, onhebbelijke persoonlijkheid, die door alles en iedereen gehaat wordt. Totdat hij de echte wereld de vrucht van zijn fantasie toont. Dan is hem alles vergeven.
Het wordt pas echt gevaarlijk als je de Kunstenaar helemaal niet meer ziet. Als hij zich voor honderd procent heeft teruggetrokken in zijn eigen wereld. Misschien kan iemand die hem door en door kent, hem uit zijn fantasie terughalen. Die kans is echter zeer klein. De Kunstenaar die weg is, blijft weg. Die komt nooit meer terug.
Gorge Luis Prats
…weet de poort vooralsnog heel goed te vinden, die geniet met volle teugen van zijn vrijheid. Reinbert de Leeuw is al veel verder heen. Hij heeft het zelfs over emigreren gehad, weg uit het ijskoude Nederlandse cultuurklimaat. Vele musici uit de vaderlandse orkesten, dreigen nu voorgoed achter die sluier te verdwijnen, uitgekotst door een populistische samenleving die alleen (Amerikaanse) Film en (Joods) Circus tot de kunst rekent. Als ze ook maar één misstap maken, zien we ze nooit meer terug. Een kapotgeslagen beeld kun je repareren, restaureren wat je wilt, het origineel is voorgoed verloren.
Zelf ben ik nog volop bezig met het construeren van mijn eigen wereld. Ideeën genoeg, maar helaas ben ik een waardeloze architect, zodat de boel regelmatig op instorten staat. Ik denk pas op het allerlaatste moment aan de fundering. Maar gevaarlijk of niet, als het er echt op aankomt, als vakkundige musici, auteurs en beeldhouwers deze wereld voorgoed verlaten, dan zal ik me bij hen voegen en de gordijnen voor altijd sluiten.
Masjinist veegde, zo goed en kwaad als dat ging met een stijve arm, nog een keer met zijn rechterhand langs zijn ogen. Er moest beslist een vliegje of een ander vuiltje in gekomen zijn. Het kon toch niet waar zijn dat hij Tom op televisie zag? Hij was al lang gestopt de dagen te tellen en het zou hem zelfs niet verbazen als iemand hem zei dat hij een jaar aan en stuk geslapen had, maar zo oud kon Tom toch onmogelijk zijn?
Door het vegen begonnen zijn ogen te tranen. Ja, beslist door het vegen. Al durfde hij best te bekennen dat hij Tom mistte. Op de achtergrond verscheen een beroemd gebouw op de tv. Hij was er, samen met Tom, vaak langs gereden. De fabrieken eromheen waren nu bijna allemaal gesloopt en er stopten geen bussen meer om mensen van heinde en ver naar hun werk te brengen. Ook dat werk was er niet meer.
In het tijdperk van de Grote Graaiers was de directie naar Amsterdak vertrokken. Die stad had meer allure voor zo’n succesvolle multinational. De laatste telg van de beroemde familie die het bedrijf lang geleden begonnen was, bleef berooid in zijn dorp achter. Potdorie, wat doen ze ons aan? In grote letters verscheen zijn noodkreet in alle kranten. Maar daar hadden de Graaiers geen enkele boodschap aan. Ze verkochten tientallen bedrijfsonderdelen, om die vervolgens failliet te laten gaan. Bij elke nieuwe werkeloze rinkelde de kassa op de bovenste verdieping in Amsterdak. Nieuwe Mercedes voor de directeur, penthouse, tweede bootje…
En nu zag masjinist Tom op de televisie zeggen dat het bedrijf streefde naar een bonuscultuur. Was hij al die uren die hij rond de klok had gereden dan vergeten? Hij had het niet direct over splitsen en onderdelen verkopen, maar het concern opdelen in cellen kwam natuurlijk op hetzelfde neer. Cellen die beter moesten presteren dan andere cellen, sneller en sterker moesten groeien. Kreeg je dan geen tumoren? Stond dat niet bekend als kanker?
Masjinist liep naar zijn locomotief en ging in de cabine zitten. Langzaam liet hij de stroomafnemers tegen de draad komen. De compressoren sloegen aan, zodat de remleidingen zich met lucht vulden, de ventilatoren draaiden alvast op volle kracht om later oververhitte motoren te voorkomen. De souplesse waarmee het allemaal gebeurde verbaasde masjinist niets. Al die jaren had hij zijn materieel goed onderhouden. Dat er hoogspanning op de bovenleiding stond, terwijl hij gemakkelijk kon zien dat de stekker niet in het stopcontact stak, deed bij hem geen belletje rinkelen.
Met een grote boog reed hij de trein door allerlei verlaten spookstadjes. Om zijn vakmanschap te tonen stopte hij langs de perrons waar intercity’s nu eenmaal moesten stoppen, maar er stapte niemand in of uit. Of vergiste hij zich en zat zijn trein vol met reizigers op zoek naar een vonk uit hun verleden? Dat moest wel, wat bij nadering van het eindpunt voelde hij een rilling door de trein gaan, gevolgd door een gejuich dat klonk alsof het van een oude langspeelplaat kwam. Masjinist kreeg er opnieuw tranen van in zijn ogen. De tijd kon hij daardoor niet meer lezen, maar het Klokgebouw herkende hij direct. Zou Tom dat werkelijk allemaal op willen geven. Zat hij echt in die onpersoonlijke, alleen op buitenkant gerichte toren in Amsterdak? Nee, masjinist kon het niet geloven. Zo was Tom niet. Die had idealen die hij nooit zou verraden, net als masjinist zelf.
Zo mijmerend, bleef de oude, stramme en beetje verkleurde treinbestuurder, nog heel lang in de cabine zitten. De verlichting van het Klokgebouw ging uit, weer aan, uit, aan en ga zo maar door. Voor masjinist duurde het slechts zo lang als één keer knipperen met je ogen. Telkens als hij ze weer opendeed, was hij bang dat zijn blikveld leeg zou zijn, zijn toren gesloopt. Wie zou hem kunnen vertellen dat, zolang er mensen vanuit zijn trein zoekend omhoog kijken, de klok in de toren onvermoeibaar door zal blijven tikken?