De wonderbaarlijke spoorwereld van masjinist
Geboorte
Toen hij acht jaar werd, kreeg Tom van zijn vader een elektrische trein, compleet met transformator en rails. Een erg lange baan was het nog niet, want hij had maar vier rechte stukken. Het rondje rond de tafel was dus in een mum van tijd gelegd. Als er niemand op bezoek kwam, mocht Tom de baan daarom van zijn vader in woonkamer laten liggen. Zijn moeder was het daar niet zo erg mee eens, maar als ze zag hoe haar man, wanneer Tom in bed lag, met het treintje speelde, raakte ze helemaal ontroerd.
Op een dag stond oom Wout aan de deur. Die kwam altijd onverwacht aanwippen – ongelegen noemde moeder het – en sleepte dan de gekste cadeaus met zich mee. Dit keer was de doos zo groot, dat hij niet door de voordeur paste. Tom begon enthousiast uit te laden, zijn vader deed met glimmende ogen mee. In de doos zaten half versleten treinen, wagons uit alle landen van de wereld, huisjes, een station, boerderijdieren en veel, heel veel rails.
Tom was dolblij. Zijn vader ook, maar die hield het goed verborgen. Moeders ogen spuwden vuur, alsof ze oom Wout de deur uit wilde branden. Tom begon direct van alles uit te proberen. Ook zijn vader knutselde een stukje mee. Oom Wout vertelde over de landen die hij met zijn schip had aangedaan. Vader antwoordde kort, met ja en nee. Vaak op het verkeerde moment, maar dat had oom Wout niet in de gaten. Moeder zat te kniezen in de keuken.
Toen het bedtijd was, zei moeder tegen Tom: ‘Opruimen die treinbaan. Morgen komt tante Nel en dan wil ik die rotzooi niet in mijn woonkamer hebben.’ Vader keek sip naar de grond, terwijl Tom alles afbrak en naar zijn kamer sleepte. Het was zo veel, dat hij nauwelijks bij zijn bed kon komen. Toen hij de volgende dag uit school kwam, had moeder alles in dozen gedaan en op zolder gezet. De baan mocht nooit meer in de huiskamer.
Zijn vriendje, Faber, vroeg waarom Tom zo sip keek. Tom vertelde over de trein en de spoorrails die nu op zolder stonden te verroesten. Faber wist misschien wel een oplossing, als hij tenminste aan Toms treinen mocht sleutelen als ze kapot waren. Fabers vader was liftmonteur en daarom had Faber altijd een schroevendraaier of een steeksleutel op zak. ‘Goed,’ zei Tom, ‘maar de machinist is van mij. Wat gaan we doen?’
Ze hadden de hulp van Maryse nodig, Fabers nichtje. Die had behalve een kamer thuis, ook een logeerkamer bij haar oma op zolder. Dat was de zolder van een oude boerderij en daar kon je wel tien spoorbanen leggen. Maryse stemde toe, mits ze de baas over haar eigen kamer bleef. Ze wilde niet met haar blote voeten op een overweg staan als ze net uit bed kwam.
Zo gezegd, zo gedaan. Tot grote teleurstelling van Toms vader, werd het spoor verplaatste naar de zolder van een oude boerderij. Daar groeide de baan uit tot een ingewikkeld doolhof van wissels, overwegen, bruggen over waterloze rivieren, tunnels boven de grond, stations die kleiner waren dan de reizigers en boerderijen met dieren die niet eens door de staldeur konden.
De roestige treinen en wagons werden in felle kleuren beschilderd. Vlaggen van buitenlandse maatschappijen werden rood-wit-blauw of, als ze te klein waren om binnen de lijntjes te blijven, oranje. Tom verfde zijn lievelingslocomotief, die waar een echte machinist in zat, rood met blauw. Hij wist alleen niet goed wat hij met het naamplaatje op de zijkant van het voertuig moest doen. Daar stond een rare naam op die begon met ‘Jean’. Hij wist niet eens hoe je het uit moest spreken. Hij wilde er ‘machinist’ overheen schilderen, maar de letters moesten zo klein zijn, dat zou hem nooit lukken.
Maryse was minder onzeker over haar handschrift en bovendien had haar oma een leeslamp met een enorm vergrootglas in de boekenkamer. Met vaste hand schilderde ze de letter m. Dat had eigenlijk een hoofdletter moeten zijn, maar Tom hield zijn mond. Met engelengeduld tekende Maryse verder. Toen het af was stond er in sierlijke letters: masjinist. ‘Machinist moet met seehaa,’ schreeuwde Faber, ‘niet met een es.’
Maryse barstte bijna in tranen uit. Tom was bang door ruzie zijn treinbaan kwijt te raken en troostte haar. ‘Ik vind het juist mooi zo. Masjinist is gewoon een heel bijzondere machinist! Heb jij deze ooit in een echte trein gezien?’ Ze konden er alle drie om lachen en de locomotief werd weer op de rails gezet. Van de oorspronkelijke naam was nog maar een klein stukje te lezen: Sartre. Oom Wout had het ding ergens op de markt in een Frans kustplaatsje op de kop getikt.
Zo kwam Masjinist, geschreven als masjinist, tot leven op de dag dat hij gedoopt werd. Vijf jaar lang werkte hij gedreven als machinist bij de Tomse Treinmaatschappij, op de Faberse Rails in Maryseland. Als de kinderen er waren, werd er gereden. Gingen ze naar huis, dan was het tijd voor onderhoud, wat tuinieren, beetje lezen en muziek luisteren. Masjinist had een goed leven, hij was tevreden.
Totdat het drietal steeds minder vaak als drietal verscheen. Faber was op voetbal gegaan en moest twee keer per week trainen en in het weekend wedstrijden spelen. Maryse wilde ook weleens bij vriendinnen blijven slapen en had geen zin om altijd bij haar oma te logeren. Tom durfde niet alleen bij het grote huis aan te bellen. Hij en zijn masjinist zagen elkaar steeds minder vaak.
Het is gek als je erover nadenkt, maar zonder dat je het weet komt er een dag die pas achteraf de laatste zal blijken te zijn. Je neemt nog afscheid van elkaar, zegt ‘tot volgende week’ of ‘tot ziens’ en dan ineens, is het afgelopen. Een weg die je jarenlang gezamenlijk hebt gelopen, splits zich in drie paden die nooit meer bij elkaar zullen komen. Of toch pas aan de andere kant van de wereld.
Zo ging het ook op zolder. De eerste dagen ruimde masjinist nog wat op, zette zijn locomotief eens flink in de was en dacht wat na over het woord achter zijn naam op de trein. Sartre, wat moest hij zich daarbij voorstellen? Voluit stond er ‘masjinist Sartre’. Het eerste woord in het sierlijke handschrift van Maryse, het laatste in rode drukletters, een beetje vervaagd, alsof iemand geprobeerd had het uit te gummen. Zou Sartre er iets mee te maken hebben dat iedereen plotseling voor de vrijheid had gekozen?
Naarmate de tijd vorderde, hield masjinist op er steeds voor te zorgen dat het spoor gereed was zodra de kinderen binnen kwamen. De oma van Maryse werd te oud om de zolder nog elke week een goede beurt te geven. Ze kwam af en toe het raam open of dicht doen, dat was alles. Een laag stof bedekte de rails en de daken van de huisjes. De koeien in de wei stonden tot hun uiers in het spinrag. Masjinist voelde zich steeds strammer en slaperiger. Soms stond hij een week lang niet op. Hij vergat de namen van de kinderen en hoe fijn het was op de trein.
Het werd winter toen hij merkte dat hij zijn handen niet meer kon bewegen. Zijn vingers waren zo hard geworden, dat hij ze om geen enkel voorwerp meer kon buigen. Daarna begaven zijn knieën het. Zijn hoofd wilde niet langer draaien en zijn ogen kon hij niet meer open houden. Een traan biggelde over zijn wangen, al zullen cynici zeggen dat het dak lekte. Het deed pijn, op deze manier te moeten eindigen. Tom? Maryse? Faber? Tom?
…Tom?
Jaren gingen voorbij. Wie nu in die zolderkamer kijkt, ziet alleen nog wat oude bouwpakketjes staan. Wat huisjes, boerderijen, een kerk en een station. Alle modellen in andere schaal, zodat de varkens niet eens naar de kerk kunnen. De spoorrails liggen behaaglijk warm onder een pluizige deken. Een beschermlaag die de tijd stil zette toen één enkel deeltje sterrenstof, losgeraakt uit een spinnenweb, precies op de klok landde. Wie het stof uit de locomotief blaast, zal op de stoel in de cabine een plastic figuurtje zien zitten, de ogen gesloten. Waarmee het verhaal voor de ongelovige is afgelopen.
EINDE
Maar voor de gelukkige die weet dat sprookjes veel meer zijn dan alleen maar verzonnen verhaaltjes, voor de enkeling die zijn leven lang blijft geloven in fantasie, voor de zonderling die zegt dat je de dood kunt verwarren door niet in hem te geloven, voor het kind dat besluit nooit volwassen te worden en de volwassene die het kind in hem nooit vaarwel heeft gezegd, voor de verstrooide geleerde die weet dat achter gesloten ogen een droomwereld schuil gaat, voor de dromer die weet dat je in je slaap veel meer leert dan op school, voor de ziener die scherp ziet in het donker maar blind is in de volle zon, voor de verteller die elke nacht zijn raam opent om verhaaltjes binnen te laten die het daglicht schuwen…
Voor deze persoon en enkel en uitsluitend voor deze ene persoon, hij of zij die zich nooit helemaal thuis heeft gevoeld in de mensenwereld, gaat het verhaal van masjinist verder. Want kijk, als de nacht iets angstaanjagends heeft maar je tegelijk met een onweerstaanbare aantrekkingskracht naar buiten lokt, maar eens goed naar de ogen van masjinist. Dan zie je, achter de gesloten leden, zijn oogbollen snel van links naar rechts en van rechts naar links bewegen. Teken dat hij wordt bezocht door dromen en visioenen.
Dromen die hem ooit weer tot leven zullen wekken, die er ooit voor zullen zorgen dat een orkaan het stof van de rails zal blazen en de trein weer zal rijden. Eens zal die tijd komen. Zolang je maar in sprookjes blijft geloven. Sprookjes die alleen hier, en alleen aan jou, verteld worden.


Pingback: Brandend zand, het prille begin « Red de columnist