Kwetsbaar (1)

image‘Vuile teringlijder, het is allemaal jouw schuld dat we hier nu lopen. Ik had allang weg moet zijn, maar jij moest zo nodig naar de dierentuin. Je wist dat ik helemaal niet kon, en nu ben ik te laat. Ik ben voor jou meegegaan. En nou wil je niet eens de auto halen. Zo haal ik het nooit. Ik sta altijd voor iedereen klaar maar nooit is er iemand die iets voor mij doet. Val toch dood. Alles moet ik alleen doen.’

De scheldpartij gaat ononderbroken door terwijl we door de striemende sneeuw langs het water naar het hotel lopen. Niet direct naar het station, meneer moet eerst nog douchen en zich omkleden. Hij heeft ook vast bedacht dat ik zijn broek in de tussentijd strijk, de juiste treininformatie opzoek en nog wat andere kleine klusjes voor hem doe. Maar het liefst heeft hij dat ik de auto haal en hem vanaf het hotel, dwars door Amsterdam naar zijn bestemming breng. Mijn bekentenis dat ik niet door het centrum durf te rijden laat hem koud.

Het schelden stopt was als we de hal van Amsterdam Centraal binnen lopen en we de trein in stappen. Als er anderen bij zijn is hij de aardigheid zelf, de komiek als het hem zo uitkomt.
‘Je hoeft heus niet mee te gaan hoor. Ik ken het openbaar vervoer wel.’ Met een gezicht van hij doet net of ik een klein kind ben kijkt hij naar de mensen in de banken achter hem.
‘Zeker weten?’
‘Ga nou maar.’
Ik zwaai nog een keer als de trein naar Haarlem vertrekt en ga terug naar het hotel. De kaartjes voor Artis zitten nog in mijn jas. Bijna veertig euro, dat is vier euro voor elke minuut dat we er geweest zijn.

Als ik denk dat hiermee de zaak is afgehandeld, heb ik me echter gruwelijk vergist. Ik bel hem op en vraag of hij een paar boodschappen mee wil nemen op de terugweg. Met de woorden ‘Ik ga naar huis, ik heb mijn ouders gebeld. Ze komen me ophalen,’ steekt hij een dolk onder mijn hart. Het betekent niet alleen een breuk tussen ons, maar ook dat ik gefaald heb. Hij vaagt in een keer weg waar ik drie maanden lang dag en nacht voor geleefd heb. De taal die hij nu uitslaat is zo gemeen en vlijmscherp op mijn persoon gericht, dat ik er letterlijk buikpijn van krijg. Maar dat deert hem niet. Zij tirade gaat tot diep in de nacht door. Iedere Amsterdammer wordt door hem hoogstpersoonlijk levend gevild en te kijk gezet. Rotzakken zijn het, allemaal. Hij schreeuwt het in een iets andere bewoording vanaf de twintigste verdieping.

De volgende ochtend ben ik gebroken. Meer dan drie uur heb ik niet geslapen, en dan nog met onderbrekingen. Hij ook niet. Hoewel hij nog steeds volhoudt naar huis te gaan, is er niemand die hem komt halen. Ik had het kunnen weten. Hij zou zijn moeder gebeld kunnen hebben, misschien zijn vriend, maar zeker niet zijn ouders. Een detail dat me onder normale omstandigheden niet ontgaan zou zijn. Maar met hem erbij is niets normaal.

Zwijgend lopen we naar de ontbijtzaal. Ik ga aan een tafeltje zitten, meneer ploft in een luie stoel en verbindt zich met het internet. Terwijl ik me afvraag hoe dit in hemelsnaam verder moet, valt zijn oog op een advertentie op het beeldscherm van zijn laptop.
‘Soldaat van Oranje! Daar moet ik heen. Zal ik kijken of er nog kaartjes zijn?’
Ik durf er niet op te hopen, maar wonder boven wonder zijn ze er. Eerste rang in het midden vooraan, beter kan haast niet. God bestaat.

In de auto, op weg naar de loods op vliegbasis Valkenburg, weerkaatsen allerlei musicalliedjes met orkaankracht door de kleine ruimte. Zijn laarsachtige schoenen steken schuin omhoog op het dashboard, zodat ik bang ben dat de voorruit er vroeg of laat uitgedrukt zal worden. Zijn kinderlijke vrolijkheid is echter zo’n verademing na afgelopen nacht, dat ik er niets van zeg. Ik maak wel een paar keer een opmerking over de voortdurend open en dicht schuivende zijruiten en zijn linkerhand die af en toe geniepig mijn stuur naar rechts trekt. Minder prettige dingen bij honderdtwintig kilometer per uur. Het grootste deel van de route blijf ik dus met tachtig achter vrachtwagens plakken.

De terugweg vanaf Valkenburg wordt het hoogtepunt van mijn wat ik twee dagen eerder nog vakantie noemde. Verhalen en anekdotes over de theaterwereld die hij zo goed kent, stromen helder en enthousiast over zijn lippen. Hij houdt van musicals, hij is verliefd op de spotlights. Af en toe staart hij een moment stil mijmerend voor zich uit. Een heel enkele keer fluistert hij zo hees dat er kippenvel op mijn huid verschijnt.

Tijdens de laatste kilometers kijk ik hem even vanaf de zijkant aan. Heel voorzichtig, onopgemerkt. Zijn jongensachtige profiel steekt duidelijk af tegen de ondergaande zon. ADHD valt hem even niet lastig en laat hem rustig ademen. Gepest om zijn liefde voor musicals, verguisd om zijn tv-optreden, maar als autoriteit gezien in hogere kringen, onze vertegenwoordiger in Brussel, zie ik een jongeman die zo dicht bij me zit en tegelijk zo onbereikbaar is, dat mijn keel wordt dichtgeknepen. Wat zou ik hem graag vasthouden, omhelzen zonder een woord te zeggen, hem laten weten dat ik er voor hem ben, dat alles goed komt, maar ik durf nog geen vinger naar hem uit te steken. Bang voor zijn reactie. Bang dat zijn huid onder mijn aanraking zal scheuren en hij in stofdeeltjes uiteen zal vallen. Op zal lossen. Vergaan.

Zo zit hij daar. Broos. Alleen. Kwetsbaar.

 

PERSBERICHT: JEFFREY ARENZ – GEPEST! 20 APRIL, VILLA2B, ARNHEM.

Nog maar een maand geleden gaf slachtoffer van pesten Jeffrey Arenz een try-out van zijn voorstelling ‘Gepest!’ – door hemzelf steevast ‘show’ genoemd – in Villa2B, Arnhem. Het werd veel meer dan een voorstelling. Veel meer dan hij zelf besefte, gunde Jeffrey de toeschouwer een blik in de toekomst van mensen die als kind gepest zijn.

De avond begon gemoedelijk, als een soort lotgenotencontact. Na even zoeken had Jeffrey zijn draai gevonden en het interactieve spel met de zaal leek hem aangeboren. In tegenstelling tot wat het serieuze onderwerp deed vermoeden, werd het een theateravond vol herkenning en humor waaraan de zaal luidkeels meedeed.

Gaandeweg de voorstelling kwam de diepere grond onder deze zelf-beschermende humor echter steeds pijnlijker bloot te liggen. Pest-slachtoffers voor wie ook de moderne psychiatrie niets meer kon betekenen deden hun verhaal. Op dit punt kreeg Jeffrey in al zijn koppigheid gelijk en veranderde zijn voorstelling in een show. Een waanzinnige, wervelende kolk de diepte in.

Een show die voor een buitenstaander met geen pen te beschrijven is. Een show waarin zichtbaar wordt gemaakt hoe klein de wereld van een slachtoffer van pesten wordt en hoe moeilijk het is – zeg gerust: onmogelijk – daaraan op latere leeftijd te ontsnappen. Een show die voor eens en altijd duidelijk maakt dat pesten niet alleen een kind beschadigt, maar ook de volwassene tot wie het uit had moeten groeien in de kiem smoort.

Een show die zo confronterend, keihard, choquerend en realistisch is, en die tegelijk zo broos, teder en ontroerend kan zijn, zou op alle scholen verplicht in het lespakket opgenomen moeten worden. Misschien is de boodschap kil en ontnuchterend: pesten slaat wonden waarvan de littekens nooit helen, maar als Jeffrey met zijn zeer persoonlijk onthullingen kan voorkomen dat een kind slachtoffer van pesten wordt, redt hij daarmee niet één kind, maar misschien wel en hele generatie.


Een show die te belangrijk is om te missen. Voor iedereen die gepest is, gepest wordt en voor de enkeling die niet toekijkt maar een helpende hand biedt. Dit seizoen alleen nog te zien op 20 april bij Villa2B in Arnhem. Kaarten zijn te verkrijgen via Jeffrey-Arenz.nl en telefonisch te reserveren via 084-0034910.

De God die niet gelooft

GodEr was eens een jongen die de wereld wilde verbeteren. Ik wil de wereld verbeteren, daarom begin ik bij mezelf, schreef hij met grote letters op zijn website. Maar hoe, daar was hij nog niet helemaal uit.

   Daarom gooide hij op een mooie dag een rugzak vol idealen over zijn schouders en ging op reis. Het zou een lange reis worden, langs alle plaatsen in de wereld waar kinderen onrecht werd aangedaan. Vol goede moed liep hij naar het station en ging op een bankje zitten wachten op de trein. De wijzers van de klok stonden stil op zeven uur.

   Had hij eerst de krant gelezen, dan had hij geweten dat het CODE ROOD was. Aan de overzijde van de bergen was sneeuw voorspeld en om de punctualiteit zo hoog mogelijk te houden zouden er op zijn station vandaag geen treinen stoppen.

   Dat wist het dove meisje dat naast hem op het bankje zat ook niet. Zij kon het omroepbericht dat elke vijf minuten herhaald werd niet horen. De jongen kon dat wel, maar hij had het zo druk met zijn idealen dat hij nooit naar anderen luisterde.

   Zo verstreek de tijd. Omdat je alleen van idealen niet kan leven, had de jongen brood en pakjes drinken in zijn rugzak gestopt. Zo nu en dan pakte hij er iets lekkers uit en deelde dat met het dove meisje dat steeds dichter naar hem toe schoof. Hij had weliswaar een vriend, maar hoe moest hij dat aan haar uitleggen? Daarom legde hij een arm om haar schouder en samen keken ze hoe de zon onder ging. De wijzers van de klok gaven nog steeds zeven uur aan.

   Toen het te koud was geworden om te blijven zitten, besloot de jongen het voor die vrijdag maar op te geven. Hij nam afscheid van het dove meisje en ging naar huis. Daar keek hij lang naar zijn rugzak. Hij had niet één van zijn idealen uitgedeeld en toch had hij het gevoel dat hij de wereld een heel klein beetje mooier had gemaakt. Een wonder! Dat meisje moest welhaast God zijn.

   Ook het dove meisje ging naar huis. Daar trof ze haar vriend aan die huilend in haar armen viel.
‘Vergeef me dat ik tegen je geschreeuwd heb dat je nooit naar me luisterde. Dat was verkeerd van me. Kun je me vergeven?’

   ‘Ik heb vandaag een jongen ontmoet,’ zei het meisje. ‘Op het station. Een wondermooie jongen en toch bleef hij de hele tijd naast me zitten. Hij heeft me de rust gegeven om goed na te denken en de kracht om eindelijk mezelf te zijn. Hij moet welhaast God zijn. Maar weet je wat nou zo wonderlijk is? Hij heeft iets gedaan dat niemand anders ooit gelukt is. Maar…. hij gelooft niet eens in zichzelf.’

Eigen taal 2

 

 

Studiebol

autisme

Kreeg net weer zo’n ingewikkelde folder in de bus. ‘Autisme en studeren.’

Nou, in de bus…

De folder was van november 2009, maar ik maakte de envelop net open.

Ik snap niet waarom mensen er zo moeilijk over doen. Autisme en studeren zijn toch volstrekt normale onderwerpen die je afzonderlijk kunt bespreken? Waarom moet er voor die combinatie dan een uitzondering worden gemaakt? Je praat toch ook niet over ‘Autisme en grasmaaien’ of over ‘Egoïsme en studeren?’

Bovendien, wat valt er aan autisme nou te studeren?

Ik houd er niet van als mensen net gaan doen alsof het moeilijk is. Het is helemaal niet moeilijk. Om Toon Hermans maar eens te citeren – en die man had er verstand van: ‘Een kind kan de was doen.’

Autisme. Gewoon je mond houden en om je heen kijken.
Niks ingewikkelds aan.

autism_puzzle_tshirtJa, je moet het jarenlang volhouden en dan haken de meeste mensen af. Maar dat heeft niets met autisme te maken.

Pas als je na een paar jaar je mond open trekt en iets zinnigs zegt, dan heb je de poppen aan het dansen.
Heeft gelijk niemand het meer over studeren.
Dan mag je met een pasje goedkoop – een beetje goedkoper – naar de Efteling.
Als je een jaarabonnement neemt.

Allemaal flauwekul. Voortaan gaan die folders rechtstreeks de vuilnisbak in.
Nou ja, rechtstreeks…

Na een paar jaar dan.
Als ik de envelop heb geopend.

a_higher_standard_tshirt

Hans van Grietje

Is Grietje vannacht weer niet thuis gekomen?

Is Grietje vannacht weer niet thuis gekomen?

Wat een verhaal. Dat verzin je toch niet? Wat een verhaal joh.

Kwam dat hier vroeger echt voor? Pesten? Klasgenoten die elkaar het leven zuur maakten? Zo erg dat ze voor de trein sprongen? Dat geloof je toch gewoon niet. Want het zal in deze tijd toch wel afgelopen zijn met dat gepest, of niet?

Ik zie het in het sprookjesbos in ieder geval nooit gebeuren, hoewel we hier af en toe ook toestanden hebben waarvan ik denk: mensen en dieren, is dat nou echt nodig?

Zo is Grietje, m’n zus, steeds vaker de hort op. Soms komt ze twee dagen niet thuis, zit ik alleen opgescheept met die ouwe heks.

CIMG8300

Nou ja, ouwe heks, eigenlijk is het best een lief oud dametje hoor. Vegetariër nota bene. Heksen eten helemaal geen vlees! Wisten jullie dat? Nee, heksen eten geen vlees. Ja, af en toe een stoofpotje krekels of lauwwarme aardwormen in chocoladesaus, maar geen kalfjes of biggetjes en zeker geen mensenvlees.

Wat ik hier dan eigenlijk doe? Ja, goeie vraag. ‘Waarom wil je me dan vetmesten oma,’ vroeg ik haar.

Weet je wat ze zei? ‘Staat in het script!’

‘Script?’ Vraag ik. ‘Script, welk script? Ik heb helemaal geen script.’

 Draait die ouwe taart zich om en zegt: ‘Nee, dat heb ik weggegooid.’

Ik hoor haar snikken. Ja, en toen kreeg ik natuurlijk medelijden. ‘Hé oma, als je die kooi nou effe open maakt, dan kunnen we gezellig samen een babbeltje maken.’

Afijn, zij maakt dat deurtje open, ik kruip naar buiten, sta op en het schiet me toch in mijn rug. Ja, je zou het zo niet zeggen, maar ik zit al bijna zestig jaar in het sprookjesbos. Nooit de kans gehad om te staan, dus ja, tranen springen in mijn ogen. Begint de ouwe me te troosten. Hebben samen een potje staan janken, om je dood te schamen.

Hans komt uit de kooi.

Hans komt uit de kooi.

‘Maar waarom heb je nou mijn script weggegooid?’ Vraag ik haar. Staart ze een tijdje naar de vloer en zegt: ‘Omdat Grietje me op het eind in het vuur duwt, en dat vind ik zo onterecht…’

‘Kijk nou eens goed naar mij ouwe,’ zeg ik tegen haar. ‘Ik zou toch nooit zo’n schattig oud mensje in het vuur laten gooien? Daar zie je Hansje toch niet voor aan?’

Ach, en dan komt er zo’n schitterende glimlach tevoorschijn: ‘Er zijn hier wel een paar dingen veranderd jongen. Sprookjes zijn lang niet altijd sprookjes meer.’

Ze heeft gelijk, het begint hier eerlijk gezegd ook wel een beetje uit de klauwen te lopen. Is begonnen met Grietje, m’n zus. Die komt een tijdje geleden naar mijn kooi lopen, zet haar handen in haar zij en zegt: ‘Ik weet niet wat jij doet Hans, maar een meid van mijn leeftijd wil weleens iets anders. Ik ga het bos in.’ En ze loopt zo de deur uit.

De Schone Slaapster en de Prins op het Witte Paard

De Schone Slaapster en de Prins op het Witte Paard

Op zoek naar haar prins op het witte paard. Dat is natuurlijk vragen om moeilijkheden, want die staat bij het kasteel van Doornroosje te wachten tot hij door die haag kan om haar wakker te kussen.

Grietje begint hem net zo lang uit te dagen en te pesten tot die prins er op een draf vandoor gaat, rechtstreeks naar het huisje van de zeven dwergen waar Sneeuwwitje ligt te slapen.

Iedereen weet dat Sneeuwwitje ligt te wachten op een prins op het witte paard, maar dat is niet degene die zich nu naast haar kist vergaloppeert. Ja, en dat blijft in een sprookjesbos niet lang geheim, dat snap je.

Lijfwacht van Doornroosje 2

Dus op hetzelfde moment dat Grietje bij Sneeuwwitje aan komt hollen, stormt er een tweede prins op het witte paard de oprit op. Grietje is direct helemaal in de wolken, want die denkt dat er twee prinsen om haar gaan duelleren. Maar nee hoor, die twee gaan mekaar enkel aan zitten staren.

Grietje, zwaar teleurgesteld in het mannelijk geslacht, zet haar handen aan haar mond en roept: ‘Hé, stelletje ho….’

Maar ondertussen is ook Sneeuwwitje uit de kist gekomen en die springt mijn zus om haar nek. Dat is een rel geworden, dat wil je niet weten.

Eerst de bewaking van Doornroosje erbij, want die had nu geen witte prins meer. Zeven slaperige dwergen die luidkeels liepen te vloeken waarom ze zo vroeg wakker werden gemaakt. Vrouw Holle riep om hulp omdat ze in de put zat, stel van die gestoorde geiten erbij…

Van die twee prinsen was niets meer te bekennen. Ik dacht echt dat het einde van het sprookjesbos nabij was. We hebben toen een algemene vergadering belegd. Uiteindelijk besloten dat iedereen weer naar zijn eigen sprookje terug zou gaan. Soort bij soort. Zoals het hoort.

Ja, daarvoor zijn we toch hier. Om kinderen in sprookjes te laten geloven. Niet om ze te laten wennen aan twee zoenende paardenprinsen en een prinses die de dienstmeid van de heks doodknuffelt. Laten we wel wezen.

Maar zoals het vroeger was, wordt het nooit meer. Volwassenen hadden er al weinig van en nu hebben kinderen het helemaal niet meer. Het geduld om naar iemands verhaal te luisteren. Als ik begin met Er was eens een arme houthakker – dat is mijn vader – , dan zijn de meeste kinderen al weg voordat ik broodkruimels ga strooien.

Vrouw Holle zit in de put. Ze wordt tegenwoordig heel anders aangesproken.

Vrouw Holle zit in de put. Ze wordt tegenwoordig heel anders aangesproken.

Dat ik vetgemest word om opgegeten te worden, ze geloven het gewoon niet meer. En vraag al helemaal niet om hulp, dan keren ze zich massaal tegen je.

Nog voor we bij het snoephuisje van m’n grootmoe zijn, beginnen ze al te zingen: ‘Hé ouwe heks, hij steekt een stokje door de tralies. Vreet hem op.’

Ik geef mijn stokje maar wat graag door aan mijn opvolger. Als die zich ooit meldt. Waar vind je nog een ouderwetse sprookjesverteller? Kom niet aan met politiek.

Ik snap het niet zo goed. Kinderen, en volwassenen trouwens ook, moeten toch in sprookjes blijven geloven?
Ze moeten toch hun fantasie kunnen gebruiken?
Ze moeten toch de gelegenheid krijgen een mooiere wereld voor zichzelf te creëren?

Ik kan hier niet eeuwig op een houtje blijven bijten.

Toch?

In één sprookje geloven ze wel...

In één sprookje geloven ze wel…

001herfskracht 10

Bloedend Geven

 

Bloedend

 Blad op het spoor
Heeft haar leven
Geleefd

 Toch is het nog
Onbeschreven

 Als de

Treingedreven
bestuurder het

 Redt
Kan de dichter
Haar nieuw leven

Geven

 

 

 

 

 

.

Masjinists oma 2

Koeien in de modder

Natuurlijk had masjinist weleens naar Boer zoekt vrouw gekeken. Acht miljoen mensen hadden dat vóór hem al gedaan, dus waarom zou hij het laten? Hij had er nooit iets in gezien, maar nu hij ouder werd en de kinderen de zolder voorgoed hadden verlaten, stak ook bij hem het verlangen naar gezelschap zo nu en dan de kop op. Hij liet zich dan door de tijdgeest meevoeren naar de geboortegrond van  zijn overgrootmoeder: Moddergat. Een dorp in Friesland dat ooit een belangrijke rol speelde in de zeevisserij en nu zo goed en zo kwaad als het ging de visserijtraditie in ere probeerde te houden.

Moddergat

Masjinist kon er uren over de dijken dwalen, languit in het gras schapen tellen of jarenlang in de modder blijven steken. Maar dit keer had Moddergat een andere aantrekkingskracht. Niet die van rust en overpeinzing, maar die van de aanzuigende werking van een frisse lente. Niet berusten in zijn lot, maar opnieuw beginnen.

En daar zag hij haar plotseling in portiekje bij de voordeur staan. Fier keek ze de wereld in met twee koeien als haar trotse bezit. Masjinist slikte een keer en stapte tenslotte dapper op haar af. Toen hij vlak voor haar neus stond en plotseling alles vergeten was wat hij tegen haar wilde zeggen – ze was nog een heel stukje groter dan hij – zodat hij ten onder dreigde te gaan in gestotter, loste zij ogenblikkelijk de gênante situate op.

‘Natuurlijk mag je me vanavond komen halen voor een lange strandwandeling. Ik stop wel iets lekkers in de picknickmand. Dat wordt een gezellig avondje, waar ik me nu al op verheug. Tot straks.’ Masjinist kon geen woord uitbrengen. Alleen aan de voetafdrukken die hij achter zich liet kon je zien dat hij eigenlijk boven de weg zweefde. Hij ging aan de andere kant van de straat, recht tegenover haar, op een muurtje zitten en wachtte tot het half acht was.

Oude, authentieke platenspeler

Artikel 1

Goudvis in een kooitje

Gedichten van een gedreven gezicht, zoekende ziel, dolend dwaallicht, hunkerend naar de horizon, vergeefs vragend, onderweg ontdekkend dat toch alles anders is dan haar bezige brein haar verleidelijk voorgelogen had. Gevangen in geluk en daarom verdrietig verlangend naar vrijheid. Met slechts een vogel in een kom en een vis in een kooitje, gaat ze voor goud.

Herdenking Februaristaking 1941

Ze ziet zichzelf rond rennen rondom groene gronden, gespannen nadenkend over het niets in haar net. Besluiteloos ben ik bang, angstvallig afwachtend, aftellend tot ze argeloos van de aarde valt, Venus en Epsilon Virginus in het vizier. Wijzend naar waar de wind waait, dag-dromend Dichtgezicht.

Een eerste begroeting tussen beelden van een sputterende spoormachinist en gedichten van een gevoelig dichtend dichtgezicht. Zoekend naar zekerheid vallen van tijd tot tijd geniepige gaten en schuurt de schubbige, vóór de vogel is gevlogen en de goudvis is verdronken, zouteloos naar de zilte zee.

 Maar altijd als twee talen in één enkelvoudige gedachte gevangen gehouden worden, worstelen woorden in vurige vlammen. Ze smeken de smid om stalen slagen die verbuigen en verkorten, verbreken en verbinden, vergroten, verkleinen en verwijzen naar een ver voltooid verleden.  Huiveringwekkende hamerslagen huilen en helpen hunkerende vaste vrouwelijke voornaamwoorden in vlammende voordrachten verbazingwekkend vlot vervoegen van vulgair vragend voorzetselsvoorwerp in verlokkelijk verleidelijke voorzetselsvoorwerpszin.

Vraagteken!

Euhh, ik bedoel gewoon dat de som meer is dan de delen en tot de volgende keer.