Kwetsbaar (1)

image‘Vuile teringlijder, het is allemaal jouw schuld dat we hier nu lopen. Ik had allang weg moet zijn, maar jij moest zo nodig naar de dierentuin. Je wist dat ik helemaal niet kon, en nu ben ik te laat. Ik ben voor jou meegegaan. En nou wil je niet eens de auto halen. Zo haal ik het nooit. Ik sta altijd voor iedereen klaar maar nooit is er iemand die iets voor mij doet. Val toch dood. Alles moet ik alleen doen.’

De scheldpartij gaat ononderbroken door terwijl we door de striemende sneeuw langs het water naar het hotel lopen. Niet direct naar het station, meneer moet eerst nog douchen en zich omkleden. Hij heeft ook vast bedacht dat ik zijn broek in de tussentijd strijk, de juiste treininformatie opzoek en nog wat andere kleine klusjes voor hem doe. Maar het liefst heeft hij dat ik de auto haal en hem vanaf het hotel, dwars door Amsterdam naar zijn bestemming breng. Mijn bekentenis dat ik niet door het centrum durf te rijden laat hem koud.

Het schelden stopt was als we de hal van Amsterdam Centraal binnen lopen en we de trein in stappen. Als er anderen bij zijn is hij de aardigheid zelf, de komiek als het hem zo uitkomt.
‘Je hoeft heus niet mee te gaan hoor. Ik ken het openbaar vervoer wel.’ Met een gezicht van hij doet net of ik een klein kind ben kijkt hij naar de mensen in de banken achter hem.
‘Zeker weten?’
‘Ga nou maar.’
Ik zwaai nog een keer als de trein naar Haarlem vertrekt en ga terug naar het hotel. De kaartjes voor Artis zitten nog in mijn jas. Bijna veertig euro, dat is vier euro voor elke minuut dat we er geweest zijn.

Als ik denk dat hiermee de zaak is afgehandeld, heb ik me echter gruwelijk vergist. Ik bel hem op en vraag of hij een paar boodschappen mee wil nemen op de terugweg. Met de woorden ‘Ik ga naar huis, ik heb mijn ouders gebeld. Ze komen me ophalen,’ steekt hij een dolk onder mijn hart. Het betekent niet alleen een breuk tussen ons, maar ook dat ik gefaald heb. Hij vaagt in een keer weg waar ik drie maanden lang dag en nacht voor geleefd heb. De taal die hij nu uitslaat is zo gemeen en vlijmscherp op mijn persoon gericht, dat ik er letterlijk buikpijn van krijg. Maar dat deert hem niet. Zij tirade gaat tot diep in de nacht door. Iedere Amsterdammer wordt door hem hoogstpersoonlijk levend gevild en te kijk gezet. Rotzakken zijn het, allemaal. Hij schreeuwt het in een iets andere bewoording vanaf de twintigste verdieping.

De volgende ochtend ben ik gebroken. Meer dan drie uur heb ik niet geslapen, en dan nog met onderbrekingen. Hij ook niet. Hoewel hij nog steeds volhoudt naar huis te gaan, is er niemand die hem komt halen. Ik had het kunnen weten. Hij zou zijn moeder gebeld kunnen hebben, misschien zijn vriend, maar zeker niet zijn ouders. Een detail dat me onder normale omstandigheden niet ontgaan zou zijn. Maar met hem erbij is niets normaal.

Zwijgend lopen we naar de ontbijtzaal. Ik ga aan een tafeltje zitten, meneer ploft in een luie stoel en verbindt zich met het internet. Terwijl ik me afvraag hoe dit in hemelsnaam verder moet, valt zijn oog op een advertentie op het beeldscherm van zijn laptop.
‘Soldaat van Oranje! Daar moet ik heen. Zal ik kijken of er nog kaartjes zijn?’
Ik durf er niet op te hopen, maar wonder boven wonder zijn ze er. Eerste rang in het midden vooraan, beter kan haast niet. God bestaat.

In de auto, op weg naar de loods op vliegbasis Valkenburg, weerkaatsen allerlei musicalliedjes met orkaankracht door de kleine ruimte. Zijn laarsachtige schoenen steken schuin omhoog op het dashboard, zodat ik bang ben dat de voorruit er vroeg of laat uitgedrukt zal worden. Zijn kinderlijke vrolijkheid is echter zo’n verademing na afgelopen nacht, dat ik er niets van zeg. Ik maak wel een paar keer een opmerking over de voortdurend open en dicht schuivende zijruiten en zijn linkerhand die af en toe geniepig mijn stuur naar rechts trekt. Minder prettige dingen bij honderdtwintig kilometer per uur. Het grootste deel van de route blijf ik dus met tachtig achter vrachtwagens plakken.

De terugweg vanaf Valkenburg wordt het hoogtepunt van mijn wat ik twee dagen eerder nog vakantie noemde. Verhalen en anekdotes over de theaterwereld die hij zo goed kent, stromen helder en enthousiast over zijn lippen. Hij houdt van musicals, hij is verliefd op de spotlights. Af en toe staart hij een moment stil mijmerend voor zich uit. Een heel enkele keer fluistert hij zo hees dat er kippenvel op mijn huid verschijnt.

Tijdens de laatste kilometers kijk ik hem even vanaf de zijkant aan. Heel voorzichtig, onopgemerkt. Zijn jongensachtige profiel steekt duidelijk af tegen de ondergaande zon. ADHD valt hem even niet lastig en laat hem rustig ademen. Gepest om zijn liefde voor musicals, verguisd om zijn tv-optreden, maar als autoriteit gezien in hogere kringen, onze vertegenwoordiger in Brussel, zie ik een jongeman die zo dicht bij me zit en tegelijk zo onbereikbaar is, dat mijn keel wordt dichtgeknepen. Wat zou ik hem graag vasthouden, omhelzen zonder een woord te zeggen, hem laten weten dat ik er voor hem ben, dat alles goed komt, maar ik durf nog geen vinger naar hem uit te steken. Bang voor zijn reactie. Bang dat zijn huid onder mijn aanraking zal scheuren en hij in stofdeeltjes uiteen zal vallen. Op zal lossen. Vergaan.

Zo zit hij daar. Broos. Alleen. Kwetsbaar.

 

PERSBERICHT: JEFFREY ARENZ – GEPEST! 20 APRIL, VILLA2B, ARNHEM.

Nog maar een maand geleden gaf slachtoffer van pesten Jeffrey Arenz een try-out van zijn voorstelling ‘Gepest!’ – door hemzelf steevast ‘show’ genoemd – in Villa2B, Arnhem. Het werd veel meer dan een voorstelling. Veel meer dan hij zelf besefte, gunde Jeffrey de toeschouwer een blik in de toekomst van mensen die als kind gepest zijn.

De avond begon gemoedelijk, als een soort lotgenotencontact. Na even zoeken had Jeffrey zijn draai gevonden en het interactieve spel met de zaal leek hem aangeboren. In tegenstelling tot wat het serieuze onderwerp deed vermoeden, werd het een theateravond vol herkenning en humor waaraan de zaal luidkeels meedeed.

Gaandeweg de voorstelling kwam de diepere grond onder deze zelf-beschermende humor echter steeds pijnlijker bloot te liggen. Pest-slachtoffers voor wie ook de moderne psychiatrie niets meer kon betekenen deden hun verhaal. Op dit punt kreeg Jeffrey in al zijn koppigheid gelijk en veranderde zijn voorstelling in een show. Een waanzinnige, wervelende kolk de diepte in.

Een show die voor een buitenstaander met geen pen te beschrijven is. Een show waarin zichtbaar wordt gemaakt hoe klein de wereld van een slachtoffer van pesten wordt en hoe moeilijk het is – zeg gerust: onmogelijk – daaraan op latere leeftijd te ontsnappen. Een show die voor eens en altijd duidelijk maakt dat pesten niet alleen een kind beschadigt, maar ook de volwassene tot wie het uit had moeten groeien in de kiem smoort.

Een show die zo confronterend, keihard, choquerend en realistisch is, en die tegelijk zo broos, teder en ontroerend kan zijn, zou op alle scholen verplicht in het lespakket opgenomen moeten worden. Misschien is de boodschap kil en ontnuchterend: pesten slaat wonden waarvan de littekens nooit helen, maar als Jeffrey met zijn zeer persoonlijk onthullingen kan voorkomen dat een kind slachtoffer van pesten wordt, redt hij daarmee niet één kind, maar misschien wel en hele generatie.


Een show die te belangrijk is om te missen. Voor iedereen die gepest is, gepest wordt en voor de enkeling die niet toekijkt maar een helpende hand biedt. Dit seizoen alleen nog te zien op 20 april bij Villa2B in Arnhem. Kaarten zijn te verkrijgen via Jeffrey-Arenz.nl en telefonisch te reserveren via 084-0034910.

De God die niet gelooft

GodEr was eens een jongen die de wereld wilde verbeteren. Ik wil de wereld verbeteren, daarom begin ik bij mezelf, schreef hij met grote letters op zijn website. Maar hoe, daar was hij nog niet helemaal uit.

   Daarom gooide hij op een mooie dag een rugzak vol idealen over zijn schouders en ging op reis. Het zou een lange reis worden, langs alle plaatsen in de wereld waar kinderen onrecht werd aangedaan. Vol goede moed liep hij naar het station en ging op een bankje zitten wachten op de trein. De wijzers van de klok stonden stil op zeven uur.

   Had hij eerst de krant gelezen, dan had hij geweten dat het CODE ROOD was. Aan de overzijde van de bergen was sneeuw voorspeld en om de punctualiteit zo hoog mogelijk te houden zouden er op zijn station vandaag geen treinen stoppen.

   Dat wist het dove meisje dat naast hem op het bankje zat ook niet. Zij kon het omroepbericht dat elke vijf minuten herhaald werd niet horen. De jongen kon dat wel, maar hij had het zo druk met zijn idealen dat hij nooit naar anderen luisterde.

   Zo verstreek de tijd. Omdat je alleen van idealen niet kan leven, had de jongen brood en pakjes drinken in zijn rugzak gestopt. Zo nu en dan pakte hij er iets lekkers uit en deelde dat met het dove meisje dat steeds dichter naar hem toe schoof. Hij had weliswaar een vriend, maar hoe moest hij dat aan haar uitleggen? Daarom legde hij een arm om haar schouder en samen keken ze hoe de zon onder ging. De wijzers van de klok gaven nog steeds zeven uur aan.

   Toen het te koud was geworden om te blijven zitten, besloot de jongen het voor die vrijdag maar op te geven. Hij nam afscheid van het dove meisje en ging naar huis. Daar keek hij lang naar zijn rugzak. Hij had niet één van zijn idealen uitgedeeld en toch had hij het gevoel dat hij de wereld een heel klein beetje mooier had gemaakt. Een wonder! Dat meisje moest welhaast God zijn.

   Ook het dove meisje ging naar huis. Daar trof ze haar vriend aan die huilend in haar armen viel.
‘Vergeef me dat ik tegen je geschreeuwd heb dat je nooit naar me luisterde. Dat was verkeerd van me. Kun je me vergeven?’

   ‘Ik heb vandaag een jongen ontmoet,’ zei het meisje. ‘Op het station. Een wondermooie jongen en toch bleef hij de hele tijd naast me zitten. Hij heeft me de rust gegeven om goed na te denken en de kracht om eindelijk mezelf te zijn. Hij moet welhaast God zijn. Maar weet je wat nou zo wonderlijk is? Hij heeft iets gedaan dat niemand anders ooit gelukt is. Maar…. hij gelooft niet eens in zichzelf.’

Eigen taal 2

 

 

The Nelson Mandela Files 1

Ervaringsdeskundige of…
Eigen taal 4

 

Voor J.

Als je met iemand praat die gepest wordt,
En je vertelt over de mogelijkheden die hij heeft,
De hulp die hij kan krijgen,
En de technieken waaraan hij kan werken,
Dan praat je tegen hem,
In een taal die hij begrijpt.

Hij volgt je,
Geeft antwoord op je vragen,
Met zijn verstand,
Met zijn hoofd,
In een taal die jij begrijpt,
Met je verstand,
Met je hoofd.

Vertel je hem over je eigen pijn,
Je eigen wanhoop,
De hulp die je niet durfde te vragen,
Of tevergeefs zocht,
Over de keren,
Dat je niet geloofd werd,
Getrapt en door het gezag,
Uitgelachen werd,

Over de talloze keren,
Dat je centimeter na centimeter,
Op eigen kracht,
Opgekrabbeld bent,
En weer viel,
Terug geduwd werd,
Totdat eindelijk iemand,
Je bij de hand nam,
En omhelsde,

Dan praat je met hem,
In zijn eigen taal,
Dan raak je hem,
In zijn hart.

Nu praten jullie,
Met elkaar,
In jullie eigen taal,
En raakt hij je…

Recht in je hart.

…zielsgenoot?

Vriend

Eigen taal 1

Mijn taal? Jouw taal?           Onze taal…..?!

 

Vrij naar Nelson Mandela:

If you talk to a man in a language he understands, that goes to his head. If you talk to him in his language, that goes to his heart.

Eigen taal 2

001herfskracht 10

Bloedend Geven

 

Bloedend

 Blad op het spoor
Heeft haar leven
Geleefd

 Toch is het nog
Onbeschreven

 Als de

Treingedreven
bestuurder het

 Redt
Kan de dichter
Haar nieuw leven

Geven

 

 

 

 

 

.

Zon door brug

Spoorballet

masjinist lag op de stuurtafel en staarde omhoog. Hij keek naar de wolken en naar de vogels. En naar de bovenleiding, die in zijn zicht van links naar rechts bewoog en weer terug. Het mooiste vond hij de bruggen. Het waren echte kunstvoorwerpen in het landschap. In gedachte ging hij er in slow motion onderdoor. Een ballet, alsof hij de hoofdrol had in het Zwanenmeer. Een extatisch moment. Om nooit te vergeten. Met de wolken zweefde hij weg, verder en verder…

Tunneltje

De lange weg naar het station

Hóóg…

Nu de kinderen niet meer kwamen, al had masjinist de hoop nog niet helemaal opgegeven, besloot hij een leven voor zichzelf te beginnen. Tom liet hem altijd in zijn locomotief zitten. Dat vond masjinist best, een poppetje van plastic heeft niet veel lichaamsbeweging nodig, maar hij begon zich wel erg te vervelen. Hij was zijn trein uitgekropen en had zijn intrek genomen in een klein boerderijtje aan de overkant van het spoor. Het ging wat moeizaam met twee benen die hij alleen tegelijk kon bewegen en dan nog in dezelfde richting ook, maar het ging. En als het vandaag niet zo was, dan ging het morgen wel weer. Van tijd had hij niet veel besef. Toch probeerde hij zoveel mogelijk regelmaat in zijn bestaan te bouwen.

Elke morgen stond hij op als de haan kraaide en zat hij een tijdje aan de ontbijttafel. Eten of drinken had hij niet in huis, maar dat gaf niet. De plastic machinist kon helemaal niet eten, hij kon niet eens zijn mond open doen. Die was met een dun lijntje op zijn hoofd geschilderd. Masjinist was er echter niet zo zeker van dat hij nooit gegeten had. Hij kon bijna de smaak van versgebakken brood proeven als hij rook wat de oma van Maryse bakte. Ook bijzonder, want een neus had hij al helemáál niet.

Aan tafel mijmerde masjinist vaak over Tom. Hoe zou het met zijn vriend gaan? Hij wist zeker dat Tom hem niet in de steek gelaten had, Tom durfde Maryse gewoon niet tegen te spreken. En hoewel het Toms Treinmaatschappij was, lag de baan op de grond van Maryse’s kamer bij haar oma op de boerderij. Hij herinnerde zich hoe die twee ruzie gekregen hadden over het station.

Het was masjinist al eerder opgevallen dat Maryse de laatste tijd brieven kreeg van een jongeman wiens naam ze minutenlang achter elkaar kon fluisteren. Die brieven bewaarde ze in het stationsgebouw, omdat dat het enige gebouw was dat van onder niet open was. De deur had ze met een klein slotje afgesloten en ze was jammer genoeg ook zo slim geweest de batterijen eruit te halen, zodat de lift niet meer door de Tom en Faber bediend kon worden en dus ook niet door masjinist. Hoe komen de reizigers nu van het perron, had masjinist zich afgevraagd.

‘Hoe komen die reizigers nu van het perron?’
‘Die gaan maar via het trapje aan de zijkant naast de kaartjesverkoop,’ had Maryse geantwoord.
‘Maar dat is een heel smal trapje zonder leuning. Dat kan toch niet bij een goede maatschappij!’
‘Dan springen ze er maar vanaf. Ze zijn van plastic hoor. Ze zullen echt niet kapot gaan. Jij bent ook nog zo onvolwassen jij, dat je met poppetjes speelt.’
Tom voelde zijn hoofd rood worden van woede. ‘Maar als er nou mensen met de trein willen die in een rolstoel zitten? Of die niet kunnen lopen?’
‘Dan kieper je die maar lekker over de rand. Het station blijft gesloten. Wegens…. euh, renovatie.’ Ze had er hard en hatelijk bij gelachen. Terwijl ze wist dat Toms oma in een rolstoel zat en graag met de trein reisde.

Masjinist was net zo van haar lachen geschrokken als Tom van haar woorden. Dan kieper je die maar lekker over de rand. Zo ging dat in de echte wereld toch ook niet? Gehandicapten en ouderen werden juist met respect behandeld. Die hadden een streepje voor. Daar stond je voor op en die bood je een helpende hand. Die liet je niet in de kou staan. Nooit niet. Dat zou toch geen enkele treinmaatschappij in zijn hoofd halen?

Masjinist dacht aan de woorden van Tom en Maryse woorden toen hij naar het station liep. Als machinist kon hij moeilijk over het spoor lopen en zich aan de perronrand optrekken. Dat zou een slecht voorbeeld zijn voor de reizigers. En hij had een voorbeeldfunctie, ook al was zijn uniform op zijn lichaam geschilderd en liep hij in feite poedelnaakt rond. Aangezien het gebouwtje afgesloten was, zat er dus niets anders op dan via een gevaarlijk, donker tunneltje naar de andere kant van het station te klauteren. Daar moest hij een steile trap met smalle treden omhoog en dan een paar goederensporen oversteken, voordat hij bij het personeelsverblijf kon komen.

Maar zo gemakkelijk ging dat vandaag nog niet. Op de weg door het tunneltje stonden vakantiebussen en een auto geparkeerd. Die auto zorgde ervoor dat masjinist niet langs de bussen naar de andere kant kon lopen. Hij had wel naar die auto kunnen lopen om aan de bestuurder te vragen zijn voertuig een stukje opzij te zetten, maar dat durfde hij niet. De bestuurder was namelijk uitgestapt om zijn oude moeder in een rolstoel te hijsen. Stel je voor dat masjinist een opmerking gemaakt had over het blokkeren van de hele weg, dan had hij vast als antwoord te horen gekregen dat Toms Treinmaatschappij schandalig met gehandicapten omging. Die konden al bijna twee jaar niet meer met de trein reizen omdat de lift afgesloten was. Nee, in dat geval kon masjinist alleen maar met zijn staart tussen de benen afdruipen en dus wachtte hij geduldig tot moeder in de rolstoel zat en de man met de auto vertrokken was.

Wij zullen fóórd gaan…

Nu moest hij wel opschieten, want hij moest eigenlijk om tien uur beginnen en het was nu al tien over tien. Zodra hij de trap opgeklommen was, wachtte hem echter opnieuw een onaangename verrassing. Het spoor werd geblokkeerd door een goederentrein. En die leek ook nog eens heel lang te blijven staan. Het enige dat erop zat, was om de trein heenlopen. Maar de struiken langs de zijkant van het spoor waren uitgegroeid tot heuse oerwoudplanten en stonden met hun takken tegen de trein. Daar kon niemand tussendoor zonder de trein te raken. Als de trein plotseling ging rijden, zou die je mee sleuren tot wie weet waar. Masjinist bleef dus maar wat in de schaduw rondhangen. Hij kon het nog wel via het smalle trappetje proberen, maar dat was ook minstens twintig minuten omlopen. Dan was deze trein waarschijnlijk allang weg.

Hij strekte zich zo ver mogelijk uit en keek op de goederenrein. Die was beladen met tientalen nieuwe auto’s. Als hij er daarvan eens een kon pakken. Maar alles was

De Lift, bron van strijd

goed vastgezet en de auto’s konden alleen via de achterkant de trein af rijden en dat was ver weg van waar hij stond. Hij keek nog eens goed, maar hij zag ook geen mogelijkheid op de trein te klimmen om snel over te steken. Op de plaats waar het trapje gezeten hadden, zat nu een hendel voor een soort lift. Er was een grote sticker naast geplakt die duidelijk maakte dat het verboden was de lift te bedienen.
Ja, dat weten we nu wel, bromde masjinist onhoorbaar.

Was onder de trein door misschien een optie? Met zijn lengte van nog geen tien centimeter moest dat natuurlijk best mogelijk zijn. Hij was bij elkaar nu al drie kwartier aan het wachten. Zo kon dat toch niet, er moesten treinen gereden worden. Het perron stond vol mensen. Die hadden vast haast en wilden vertrekken. Nou ja, dat wist masjinist eigenlijk niet. Hoewel die reizigers net zo plastic waren als hijzelf, leken ze geen enkele poging te doen om te bewegen. Dag in, dag uit stonden ze daar in precies dezelfde houding. Masjinist wist dat het bedrog was. In zijn slaap kon hij ze soms volhoofd horen schelden. Ja zo bedoelden ze het, als scheldwoord. Volhoofd, volhoofd; hij wist niet wat ze ermee bedoelden, maar het maakte hem op de een of andere manier anders dan de rest. Daarom werd hij nooit begroet.

Nou ja, beter een volhoofd dan een leeghoofd, dacht masjinist bij zichzelf. Hij kon zich niet langer beheersen en liep langzaam op het spoor af. Klaar om onder de goederentrein door te lopen. Steeds dichter naderde hij de metalen rails. Steeds dichterbij, tot hij het roestende ijzer kon ruiken. Natuurlijk kwam op dat moment de trein in beweging. Machinist ging kalm op de grond liggen. Op een betonnen biels buiten de rails. Hij wachtte gespannen op wat komen ging. Hij lag te ver weg van de rails om door de trein geraakt te worden. Daar maakte hij zich geen zorgen over. Hij vond het ook wel spannend om de onderkant van de trein over zich heen te zien gaan. Hij was echter wat huiverig voor de luchtverplaatsing. Geen probleem als hij weggeblazen zou worden. Dan zou hij in de struiken belanden. Maar hij was bang dat de trein hem naar binnen zou zuigen. Dat hij meegesleept zou worden in een dodelijke zucht wind. Dat hij verpletterd zou worden onder de wielen van een trein.

De goederentrein was veel langer dan hij had gedacht. Hoeveel wagens waren er nu al over zijn hoof getrokken. Twintig? Misschien wel dertig. Of veertig. Hij kreeg het er benauwd van. Dat je geen lippen hebt en je mond niet kunt openen, wil nog niet zeggen dat je niet in ademnood kunt raken. Ook al heb je helemaal geen longen, door een paniekaanval kun je toch gaan hyperventileren. En het ging maar door, wagen na wagen na wagen. Het werd hem langzaam wit voor de ogen.

Eronderdoor gaan

Stralend wit, maar niet verblindend. Waar was hij? Hij hoorde geen enkel geluid. Was dit wit echt wit, of was het een kleurloze nevel die alleen maar wit leek? Masjinist vroeg het zich af toen hij een bekend gezicht uit de mist tevoorschijn zag komen.
Tom, wilde hij roepen. Tom, ik ben hier. Hij wist op dat moment zeker dat hij kon praten als hij het echt wilde. Hij kon schreeuwen, hij kon om hulp roepen. Maar toen de eerste klanken zich op zijn lippen vormden, flitste een spookbeeld zijn hoofd binnen. Het gezicht van een jonge vrouw die hij ooit gekend moest hebben. Een godin wellicht. Ze keek hem streng aan en wees met haar vinger in het niets. Ze verdween even snel als ze verschenen was.

‘Zestig woorden, ik heb het begrepen.’ Masjinist zei het in zichzelf, niet hardop. Achter beelden ontstonden nieuwe beelden. Hij zag zijn hart op een weegschaal. Hij voelde een gruwelijke pijn. En zestig woorden. En een veer. Een verloren veer. Een veer die hij moest zoeken. Waar moest hij zoeken?

Hij zag boven zich iets bewegen.
‘Horus? Kom je me opnieuw redden?’ Dat waren zes van zijn zestig woorden. Verspilde woorden omdat niemand ze gehoord had. Horus was in geen velden of wegen te bekennen. Hij voelde de klauw niet die hem greep.

Masjinists oma 2

Koeien in de modder

Natuurlijk had masjinist weleens naar Boer zoekt vrouw gekeken. Acht miljoen mensen hadden dat vóór hem al gedaan, dus waarom zou hij het laten? Hij had er nooit iets in gezien, maar nu hij ouder werd en de kinderen de zolder voorgoed hadden verlaten, stak ook bij hem het verlangen naar gezelschap zo nu en dan de kop op. Hij liet zich dan door de tijdgeest meevoeren naar de geboortegrond van  zijn overgrootmoeder: Moddergat. Een dorp in Friesland dat ooit een belangrijke rol speelde in de zeevisserij en nu zo goed en zo kwaad als het ging de visserijtraditie in ere probeerde te houden.

Moddergat

Masjinist kon er uren over de dijken dwalen, languit in het gras schapen tellen of jarenlang in de modder blijven steken. Maar dit keer had Moddergat een andere aantrekkingskracht. Niet die van rust en overpeinzing, maar die van de aanzuigende werking van een frisse lente. Niet berusten in zijn lot, maar opnieuw beginnen.

En daar zag hij haar plotseling in portiekje bij de voordeur staan. Fier keek ze de wereld in met twee koeien als haar trotse bezit. Masjinist slikte een keer en stapte tenslotte dapper op haar af. Toen hij vlak voor haar neus stond en plotseling alles vergeten was wat hij tegen haar wilde zeggen – ze was nog een heel stukje groter dan hij – zodat hij ten onder dreigde te gaan in gestotter, loste zij ogenblikkelijk de gênante situate op.

‘Natuurlijk mag je me vanavond komen halen voor een lange strandwandeling. Ik stop wel iets lekkers in de picknickmand. Dat wordt een gezellig avondje, waar ik me nu al op verheug. Tot straks.’ Masjinist kon geen woord uitbrengen. Alleen aan de voetafdrukken die hij achter zich liet kon je zien dat hij eigenlijk boven de weg zweefde. Hij ging aan de andere kant van de straat, recht tegenover haar, op een muurtje zitten en wachtte tot het half acht was.

Oude, authentieke platenspeler