Tussen Osiris en Isis
De hitte was niet te dragen. Hoewel hij een sterke wind in de rug voelde, had hij het gevoel dat hij geen stap vooruit kwam. ‘Dat kan natuurlijk ook niet,’ mompelde hij. Verbaasd keek hij naar zijn handen. Zijn plastic huid had zwart geblakerd en half gesmolten moeten zijn, maar hij zag echte handen met echt bewegende vingers. Weliswaar flink verbrand, maar nog steeds beter bruikbaar dan die O-vormige klompen waarmee je niets kon vastpakken. Of niet loslaten als je iets vast had. Hoe was hij nu van zijn veilige spoorbaan op zolder, in de woestijn beland? Als masjinist van vlees en bloed nog wel.
Veel tijd om erover na te denken had hij niet. Terwijl de zon het vuur nog wat hoger draaide om zijn hersenen te koken, zag de tijdloze reiziger een donkere zwerm op zich afkomen. Het monster bonkte dreigend als een slijpmachine. Vlijmscherpe messen van zand blies het over de vlakte. Messen die een ogenblik later als een boemerang terugkwamen om zich, dwars door zijn huid snijdend, weer bij het gedrocht te voegen. De zandstorm krijste, vloekte en jankte, maar raasde onvermoeibaar verder.
Masjinist liep wat hij kon, maar hij wist dat het zinloos was. De piramide in de verte zou hij nooit op eigen kracht bereiken. De eerste korrels woestijnzand drongen al in zijn achterhoofd, toen een enorme schaduw hem met zijn klauwen oppikte en met een ongelooflijke snelheid van de storm wegvoerde. Uitgeput keek masjinist omhoog. Een valk met een scherpe snavel keek hem even aan, richtte toen weer zijn blik naar voren en vloog, buiten bereik van de woest gillende zandzwaarden, naar de piramide.
De vogel wierp zijn geroosterde prooi, door een klein gat halverwege de top, het magische bouwwerk binnen. De glijbaan waarop masjinist zich nu bevond, was zo stijl dat er niets anders opzat dan zich zonder veel verzet mee te laten voeren door een donker gangenstelsel. Na de laatste bocht werd het snel licht en masjinist maakte een pijnlijke val op de stenen vloer van een donkere ruimte. Slechts twee of drie kaarsen verlichtten de indrukwekkende gestalte die op een troon op een soort verhoging aan het eind van de zaal zat. Heel even meende masjinist naast deze goddelijke figuur een vrouw te ontwaren, maar dat beeld ging in rook op. Slechts iets kronkeligs op de vloer bleef over. Toen zijn ogen gewend waren aan het duister, zag hij tot zijn verbazing de valk die hem gered had, op een oude weegschaal zitten.
De zandstorm stopte net zo abrupt als hij begonnen was, waardoor een felle straal zonlicht masjinist in de schijnwerpers zette. Hij zag nu niets meer en wilde een stap opzij gaan, terug de schaduw in, maar de farao hield hem tegen met zijn staf. De farao, misschien zelfs een god, sprak met een donderend stemgeluid dat echode tegen de marmeren wanden. Masjinist verstond er geen woord van, dus hij gebaarde dat hij het niet begreep. Dom natuurlijk, want hij was niet langer van plastic en kon gewoon praten.
‘Hello? I’m sorry, do you speak English?’ Hij schaamde zich. Kon hij eindelijk praten, kwam er dit soort nonsens uit zijn mond.
Een helper van Osiris, met een vriendelijke ezelskop, opende vlak voor de ogen van masjinist een papyrusrol. Masjinist voelde de vreemde sensatie van een veer in zijn vingers. De letters kwamen hem zo bekend voor. Had hij dit document geschreven. Maar wanneer dan? Hij was toch altijd een stuk speelgoed geweest? Hij herinnerde zich de winkel nog, waar de vader van Tom hem kocht. Die heerlijke uren, waarin Tom hem over de rails liet snorren, turend naar de eeuwige sneeuw op kartonnen bergen. Hij voelde zijn vingers jeuken. Maar hij had toch nooit vingers gehad? Hoe zou hij dit document dan ooit geproduceerd kunnen hebben?
Hij werd op zijn rug getikt, maar in het aanzicht van Osiris durfde hij niet achterom te kijken. Zelfs niet toen een zware massa over zijn rug omhoog kronkelde. De cobra sliste toen haar tong het oor van masjinist naderde.
‘Je enige redding is de veer opgeven. Hak desnoods je rechterhand af. Dit is je laatste waarschuwing.’ Met wijd geopende bek, verliet ze via de andere schouder het lichaam van masjinist, die daardoor een tijdlang van zijn adem beroofd werd. Hij bleef hijgend staan.
‘Mijn rechterhand afhakken, dat nooit! Ik heb hem nog geen uur en nu zou ik hem al opofferen? Ik heb jullie niets misdaan. Ik weet niet wat er in dat document staat, maar als ik het geschreven heb, dan moet het waar zijn. Ik lieg niet.’
Het hoofd van Osiris boog naar voren. Achter haar man en broeder verscheen Isis in koninklijke gedaante. De troon waar ze eerder op zat, stond nu op haar hoofd.
‘Wou jij dan beweren dat wij dit gedaan hebben, dat wij ons tegen ons eigen dodenrijk gericht hebben?’ De stem van Osiris klonk poeslief. Duidelijk een stilte voor de storm. Maar masjinist gaf niet toe.
‘Dat weet ik niet, maar ik ben hier nooit eerder geweest. Dat weet ik zeker.’
Isis wenkte hem en bracht hem naar de weegschaal. De valk vloog naar de schouder van Osiris.
‘We zullen zien, Horus.’ De vogel zette de veren van zijn kop overeind en bekeek masjinist spottend.
‘Iedereen krijgt hier een eerlijke kans, maar een schrijver die het Jaroeveld betreedt, dat zou een wonder zijn. Schrijvers hebben een veel te groot hart, altijd zwaarder dan de Veer.’
Het laatste dat masjinist zag, was Osiris die het nog kloppende hart van de schrijvende treinbestuurder op de weegschaal legde. Aan de andere kant slechts een ganzenveer als tegenwicht. Misschien ooit gebruikt door grote auteurs als Mulisch, Reve, Voskuil, Multatuli, Socrates, Kluun (grapje), Sartre, Enquist, Beckman, Irving en Claus, die door een Anti-Censuur Protest Read-in op het nippertje uit de gevangenis wist te blijven, maar ondanks die schat aan Literatuur nooit zwaar genoeg kon zijn om de ziel van masjinist te redden.
Masjinist lag in de zon. De enorme kracht van de stralen had hem bijna direct blind moeten maken. Maar hij kon ze niet dichtdoen. Ook zijn vingers waren onbeweeglijk, zijn benen stram, zijn voeten stijf. Hij was weer van plastic. Een meester zonder ziel in het hart van een brandende woestijn. Af en toe blies een zuchtje wind, een enkele zandkorrel tegen of op het beschilderde lichaampje. Soms jeukte het, prikte het in zijn oog. Hij kon er niets aan doen.
De nacht viel en in de donkere woestenij werd het bitter koud. Zonder kloppend hart, nam masjinist de temperatuur van zijn omgeving aan. Een klomp ijs betrok de holle ruimte in zijn borst als woning. IJs dat zelfs de volgende dag in de hitte niet meer ontdooide. Laagje na laagje raakte het speelgoedpoppetje bedolven onder een laag zand. Onzichtbaar en door iedereen vergeten. Uit het oog, uit het… Een bitter spreekwoord. Het laatste beeld dat voor zijn ogen verscheen, was dat van Tom, zijn trouwe stroomleverancier. Zijn vriend. Voor altijd, wat er ook gebeurt.
Die ene traan die in masjinists oog verscheen, werd zo snel door het zand opgenomen, dat niemand hem zag. Hoog vanuit de lucht, dwarrelde een veertje op zijn graf…

