De striemende wind blies de sneeuwvlokken, nu minder in getal maar ijziger, in vlagen over het perron. Het was donker, de lantaarns waren bedekt met sneeuw. De oude vrouw draaide haar gezicht uit de wind. Zo zag ze tenminste iets. Gelukkig was er iemand zo vriendelijk geweest haar rollator uit de trein te tillen, maar geen enkele vrijwilliger bood aan haar naar de uitgang te begeleiden. Ze begreep het wel. Tot haar spijt keek ze nu naar het einde van het perron, niet naar de uitgang. Met tranende ogen liep ze, tegen de bevroren adem van de winter in, naar de plaats waar ze zich een lift herinnerde. Ze kon bijna niet meer op haar benen staan toen ze die bereikte maar, Goddank, hij was er nog.
De deuren scharnierden zwaar, met een extra krachtinspanning lukte het haar ook dat obstakel te nemen. Daarmee hield het wel op, want er was geen drukknop in de lift te bekennen. Alleen een sleutelgat met de woorden ‘perron’ en ‘kelder’ op twee kleine stickers ernaast geplakt. Welke sleutel moest daar nu in? Vast één die zij niet bezat. Vermoeid duwde ze de deur weer open. Toen zag ze op de buitenkant van de deur een briefje hangen. Verdorie, moest ze haar leesbril weer gaan zoeken.
Ze had zich de moeite kunnen besparen, want er stond slechts vermeld dat er een liftjongen gewaarschuwd moest worden. Het telefoonnummer was te vinden in de railpocket. Railpocket? Railpocket? Ze kon zich niet herinneren dat woord ooit eerder gehoord te hebben. Ze had vorige maand wel een tjipkaart ontvangen, zat daar dan een boekje bij? Als dat zo was had ze het vast goed opgeborgen, zeker niet in haar tas gestopt. Niemand had haar verteld dat je een pocket mee moest nemen als je met de trein reisde. Ze voelde hoe haar knieën knikten en leunde zwaar op haar rollator. Waar kon ze die liftjongen nu vinden? Er was niemand te zien op het perron.
Ze bond haar sjaal voor haar gezicht en trok verder in de richting van de trap. Trager bij iedere stap. Voorzichtig passeerden er schaduwen, contouren van mensen die even zichtbaar werden in de ijskoude mist en direct weer verdwenen. Steeds wilde ze vragen of iemand de liftjongen had gezien, maar telkens als de persoon dicht genoeg bij haar was, leek ze die op de één of andere manier te herkennen. Spookbeelden uit haar kindertijd, uit haar vroege jeugd. Mensen die hier onmogelijk konden zijn.
‘Mevrouw weet u misschien…’ Verder kwam ze niet. Ze moest koorts hebben, ziek zijn of ijlen, hoewel ze het toch duidelijk zag. ‘Dat ben ik zelf,’ stamelde ze tegen het meisje. Een warme gloed drong door de kou. Daar stond ze; jong, stralend en met een spierwitte jurk aan. Helemaal klaar, of eigenlijk, helemaal niet klaar om in het huwelijksbootje te stappen. Ze dacht aan haar man. Veertig jaar was hij bij haar gebleven, toen hield hij het voor gezien. Hij had het haar al op zijn zeventiende beloofd. Veertig jaar blijf ik bij je, dan gaan we ieder onze eigen richting. Ze dacht dat hij een grapje maakte en had nooit verwacht dat hij op de bewuste dag inderdaad niet uit bed zou komen. Hij zou nooit meer opstaan.
Moeizaam strompelde ze verder, pas na pas. Warme gedachten maakten haar ledematen niet soepeler in deze snijdende kou. Ze spitse haar oren toen ze dacht dat ze het belletje van de lift hoorde. Ze leefde op toen ze twee stemmen hoorde.
‘Uw bestemming meneer,’ zei een jonge knaap. Dat moest vast de liftjongen zijn. Naar de ander luisterde ze niet. Dit was haar enige kans.
‘Wacht even,’ riep ze tegen de adembenemende wind. Ze kon zelf haar stemgeluid niet eens horen, laat staan de liftjongen. Of kwam hij nu op haar af?
‘Dag Marie, hier ben ik dan. Samen uit, samen thuis.’ De oude vrouw dacht even dat ze een hartaanval kreeg. Die stem, zo ver uit het verleden. De groene velden, de picknickmand. Het was net alsof elk moment de zon kon doorbreken. Ze voelde geen splintertje kou meer in haar botten. Uit de schaduw kwam de stem van de man met wie ze veertig jaar lief en leed gedeeld had. ‘Ik heb het je toch beloofd? Weet je nog? Veertig jaar blijven we samen, dan gaat ieder zijn eigen richting. Als we de tweede keer trouwen, blijven we eeuwig samen.’
Het duizelde de oude vrouw. Dat laatste deel was haar even ontschoten, nu bloemde het als een wijnrode roos naar de oppervlakte van haar ziel. Ze wist niet meer waar ze was of in welke tijd ze leefde. Ze herinnerde zich alles alsof het gisteren gebeurd was, toch leek het alsof het in de toekomst speelde en ze enkel aan het dagdromen was. Hallucineren misschien. Ze moest wakker blijven, anders zou het slecht aflopen. Ze schudde haar hoofd en probeerde verder te lopen.
‘Marie, wil je nog een keer met me trouwen?’
Ze viel, maar hij ving haar op tijd op. ‘Als je tenminste niet eerst al je botten breekt,’ lachte hij.
Ze kon niet praten, maar knikte heftig van ja. Het kon haar niets meer schelen of het echt waar was of niet. Hij tilde haar op en droeg haar in zijn armen.
Met een beleefd knikje opende de liftjongen de deuren. Stond die jongen ook niet op een hele oude foto van haar man? Ze wist het niet meer. Ze keek even vragend toen de lift niet naar beneden leek te gaan, maar naar boven. Of naar alle kanten, daar leek het door het gestommel nog het meest op.
‘Wees niet ongerust, ik heb een lange tweede huwelijksreis voor ons geboekt. Het zal even duren voor we aankomen, maar ach, we hebben een eeuwigheid. Ik laat je nooit meer alleen.’
***
Niemand in de lift had in de gaten dat ze dwars door het spiegelglas bekeken werden door masjinist. Die wist zelf ook niet goed waar hij naar keek. Zag hij beelden uit het verleden, of was hem een blik in de toekomst gegund? Ontroerd was hij in ieder geval wel. Maar bij hem op het perron geen sneeuwstormen en zeker geen bevroren reizigers. Hij nam een bezem en begon te vegen. Hij kon niet nalaten te controleren of de knoppen nog in de lift zaten…

