Zaterdag 26 november schitterde Het Brabants Orkest in Muziekgebouw Frits Philips Eindhoven. De zaal was vrijwel uitverkocht, de musici hadden er zin in. Voor een paar uur werden de donkere wolken die boven het orkest hangen, verjaagd door de Cubaanse zon. De muzikale weergod die dit wonder verrichtte, was Jorge Luis Prats. Vanwege de isolatie van Cuba tot zijn vijftigste een onbekende pianist, sinds een paar jaar een wereldberoemd vertolker van een zeer gevarieerd assortiment muziekstijlen.
Zaterdagavond
…draaide het om het derde pianoconcert van Rachmaninov, een vreselijk moeilijk werk met een virtuoze pianopartij. Pianist Gary Graffman beweerde dat hij het werk in zijn jeugd nooit ingestudeerd had omdat hij zichzelf te jong vond om angst te kennen. Angst leek Prats in het geheel niet in zijn greep te hebben. Hij speelde de muziek alsof hij verwonderd rondliep in een exotische botanische tuin. Dan weer mooi gedragen, dan als razendsnelle duivelsdans, een storm en een kalm meertje waarop zwanen zich hergroeperen. De handlangers van de angst waren echter voelbaar in de zaal aanwezig.
Er lag namelijk een hele donkere, zeg maar inktzwarte, onheilsplek in Prats’ botanische tuin. Een kerkhof waaruit zelfs het licht niet kon ontsnappen. Verschillende keren deed de combinatie van piano en orkest me denken aan een Requiemmis. Ik zweer dat ik ze gezien heb, donkere schaduwen die achter mij over de muur trokken, zonder dat ze ergens door veroorzaakt werden. Niet één keer, maar vijf of zes keer. Anderen moeten het ook gezien hebben. Zo luguber, ik kreeg het er bijna koud van. Zou Prats, gewild of ongewild, het Brabants culturele lot met dat van Het Brabants Orkest in het bijzonder, in zijn vingers hebben gehad?
Tijdens de staande ovatie
…maakte ik, zoals gebruikelijk, enkele foto’s. Als een echte verrassing kwam het niet. Na Reinbert de Leeuw en Kees van Kooten, kwam ook Prats niet scherp op de foto. Eerst dacht ik dat het aan mijn fotocamera lag, of dat ik te veel trilde bij het indrukken van de ontspanner, maar langzaam wordt me de ware reden duidelijk.
De Groten onder de Kunstenaars, creëren een wereld van zichzelf die zo echt is, dat ze letterlijk van de ene wereld naar de andere kunnen stappen. Vaak bevinden ze zich zelfs in beide werelden tegelijk. Reinbert de Leeuw dirigeerde tijdens het Oestvolskajafestival in Amsterdam Asko|Schönberg, terwijl hij tegelijk met de reeds overleden componiste naar zijn eigen verrichtingen zat te kijken. Hij wist haar zelfs een moment weer tot leven te wekken door haar mee terug te nemen. De hele zaal heeft het gevoeld. Kees van Kooten vertelde een verhaal over echt, net echt en niet echt, maar de grens tussen waarheid en leugen was voor hemzelf al tientallen jaren vaag en betwistbaar.
Musici, auteurs
…en andere Grote Kunstenaars, brengen een belangrijk deel van hun leven in fantasie door. Het oeuvre dat ze nalaten, bevat daar slechts een fractie van. Zie je een componist maar voor de helft, dan dwaalt de andere helft door zijn eigen fantasie, op zoek naar nieuwe creaties. Vijftig procent zichtbaarheid is voor een Kunstenaar heel normaal. Verdwijnt hij voor tachtig procent, dan kun je spreken van een vakidioot. Een eigenwijze, zijn zin doordrijvende, met niemand rekening houdende, onhebbelijke persoonlijkheid, die door alles en iedereen gehaat wordt. Totdat hij de echte wereld de vrucht van zijn fantasie toont. Dan is hem alles vergeven.
Het wordt pas echt gevaarlijk als je de Kunstenaar helemaal niet meer ziet. Als hij zich voor honderd procent heeft teruggetrokken in zijn eigen wereld. Misschien kan iemand die hem door en door kent, hem uit zijn fantasie terughalen. Die kans is echter zeer klein. De Kunstenaar die weg is, blijft weg. Die komt nooit meer terug.
Gorge Luis Prats
…weet de poort vooralsnog heel goed te vinden, die geniet met volle teugen van zijn vrijheid. Reinbert de Leeuw is al veel verder heen. Hij heeft het zelfs over emigreren gehad, weg uit het ijskoude Nederlandse cultuurklimaat. Vele musici uit de vaderlandse orkesten, dreigen nu voorgoed achter die sluier te verdwijnen, uitgekotst door een populistische samenleving die alleen (Amerikaanse) Film en (Joods) Circus tot de kunst rekent. Als ze ook maar één misstap maken, zien we ze nooit meer terug. Een kapotgeslagen beeld kun je repareren, restaureren wat je wilt, het origineel is voorgoed verloren.
Zelf ben ik nog volop bezig met het construeren van mijn eigen wereld. Ideeën genoeg, maar helaas ben ik een waardeloze architect, zodat de boel regelmatig op instorten staat. Ik denk pas op het allerlaatste moment aan de fundering. Maar gevaarlijk of niet, als het er echt op aankomt, als vakkundige musici, auteurs en beeldhouwers deze wereld voorgoed verlaten, dan zal ik me bij hen voegen en de gordijnen voor altijd sluiten.


















