Two World Fantasy

Zaterdag 26 november schitterde Het Brabants Orkest in Muziekgebouw Frits Philips Eindhoven. De zaal was vrijwel uitverkocht, de musici hadden er zin in. Voor een paar uur werden de donkere wolken die boven het orkest hangen, verjaagd door de Cubaanse zon. De muzikale weergod die dit wonder verrichtte, was Jorge Luis Prats. Vanwege de isolatie van Cuba tot zijn vijftigste een onbekende pianist, sinds een paar jaar een wereldberoemd vertolker van een zeer gevarieerd assortiment muziekstijlen.

Zaterdagavond

…draaide het om het derde pianoconcert van Rachmaninov, een vreselijk moeilijk werk met een virtuoze pianopartij. Pianist Gary Graffman beweerde dat hij het werk in zijn jeugd nooit ingestudeerd had omdat hij zichzelf te jong vond om angst te kennen. Angst leek Prats in het geheel niet in zijn greep te hebben. Hij speelde de muziek alsof hij verwonderd rondliep in een exotische botanische tuin. Dan weer mooi gedragen, dan als razendsnelle duivelsdans, een storm en een kalm meertje waarop zwanen zich hergroeperen. De handlangers van de angst waren echter voelbaar in de zaal aanwezig.

Er lag namelijk een hele donkere, zeg maar inktzwarte, onheilsplek in Prats’ botanische tuin. Een kerkhof waaruit zelfs het licht niet kon ontsnappen. Verschillende keren deed de combinatie van piano en orkest me denken aan een Requiemmis. Ik zweer dat ik ze gezien heb, donkere schaduwen die achter mij over de muur trokken, zonder dat ze ergens door veroorzaakt werden. Niet één keer, maar vijf of zes keer. Anderen moeten het ook gezien hebben. Zo luguber, ik kreeg het er bijna koud van. Zou Prats, gewild of ongewild, het Brabants culturele lot met dat van Het Brabants Orkest in het bijzonder, in zijn vingers hebben gehad?

Tijdens de staande ovatie

…maakte ik, zoals gebruikelijk, enkele foto’s. Als een echte verrassing kwam het niet. Na Reinbert de Leeuw en Kees van Kooten, kwam ook Prats niet scherp op de foto. Eerst dacht ik dat het aan mijn fotocamera lag, of dat ik te veel trilde bij het indrukken van de ontspanner, maar langzaam wordt me de ware reden duidelijk.

De Groten onder de Kunstenaars, creëren een wereld van zichzelf die zo echt is, dat ze letterlijk van de ene wereld naar de andere kunnen stappen. Vaak bevinden ze zich zelfs in beide werelden tegelijk. Reinbert de Leeuw dirigeerde tijdens het Oestvolskajafestival in Amsterdam Asko|Schönberg, terwijl hij tegelijk met de reeds overleden componiste naar zijn eigen verrichtingen zat te kijken. Hij wist haar zelfs een moment weer tot leven te wekken door haar mee terug te nemen. De hele zaal heeft het gevoeld. Kees van Kooten vertelde een verhaal over echt, net echt en niet echt, maar de grens tussen waarheid en leugen was voor hemzelf al tientallen jaren vaag en betwistbaar.

Musici, auteurs

…en andere Grote Kunstenaars, brengen een belangrijk deel van hun leven in fantasie door. Het oeuvre dat ze nalaten, bevat daar slechts een fractie van. Zie je een componist maar voor de helft, dan dwaalt de andere helft door zijn eigen fantasie, op zoek naar nieuwe creaties. Vijftig procent zichtbaarheid is voor een Kunstenaar heel normaal. Verdwijnt hij voor tachtig procent, dan kun je spreken van een vakidioot. Een eigenwijze, zijn zin doordrijvende, met niemand rekening houdende, onhebbelijke persoonlijkheid, die door alles en iedereen gehaat wordt. Totdat hij de echte wereld de vrucht van zijn fantasie toont. Dan is hem alles vergeven.

Het wordt pas echt gevaarlijk als je de Kunstenaar helemaal niet meer ziet. Als hij zich voor honderd procent heeft teruggetrokken in zijn eigen wereld. Misschien kan iemand die hem door en door kent, hem uit zijn fantasie terughalen. Die kans is echter zeer klein. De Kunstenaar die weg is, blijft weg. Die komt nooit meer terug.

Gorge Luis Prats

…weet de poort vooralsnog heel goed te vinden, die geniet met volle teugen van zijn vrijheid. Reinbert de Leeuw is al veel verder heen. Hij heeft het zelfs over emigreren gehad, weg uit het ijskoude Nederlandse cultuurklimaat. Vele musici uit de vaderlandse orkesten, dreigen nu voorgoed achter die sluier te verdwijnen, uitgekotst door een populistische samenleving die alleen (Amerikaanse) Film en (Joods) Circus tot de kunst rekent. Als ze ook maar één misstap maken, zien we ze nooit meer terug. Een kapotgeslagen beeld kun je repareren, restaureren wat je wilt, het origineel is voorgoed verloren.

Zelf ben ik nog volop bezig met het construeren van mijn eigen wereld. Ideeën genoeg, maar helaas ben ik een waardeloze architect, zodat de boel regelmatig op instorten staat. Ik denk pas op het allerlaatste moment aan de fundering. Maar gevaarlijk of niet, als het er echt op aankomt, als vakkundige musici, auteurs en beeldhouwers deze wereld voorgoed verlaten, dan zal ik me bij hen voegen en de gordijnen voor altijd sluiten.


Klokgebouw, monument van verloren tijd

Masjinist veegde, zo goed en kwaad als dat ging met een stijve arm, nog een keer met zijn rechterhand langs zijn ogen. Er moest beslist een vliegje of een ander vuiltje in gekomen zijn. Het kon toch niet waar zijn dat hij Tom op televisie zag? Hij was al lang gestopt de dagen te tellen en het zou hem zelfs niet verbazen als iemand hem zei dat hij een jaar aan en stuk geslapen had, maar zo oud kon Tom toch onmogelijk zijn?

Door het vegen begonnen zijn ogen te tranen. Ja, beslist door het vegen. Al durfde hij best te bekennen dat hij Tom mistte. Op de achtergrond verscheen een beroemd gebouw op de tv. Hij was er, samen met Tom, vaak langs gereden. De fabrieken eromheen waren nu bijna allemaal gesloopt en er stopten geen bussen meer om mensen van heinde en ver naar hun werk te brengen. Ook dat werk was er niet meer.

In het tijdperk van de Grote Graaiers was de directie naar Amsterdak vertrokken. Die stad had meer allure voor zo’n succesvolle multinational. De laatste telg van de beroemde familie die het bedrijf lang geleden begonnen was, bleef berooid in zijn dorp achter. Potdorie, wat doen ze ons aan? In grote letters verscheen zijn noodkreet in alle kranten. Maar daar hadden de Graaiers geen enkele boodschap aan. Ze verkochten tientallen bedrijfsonderdelen, om die vervolgens failliet te laten gaan. Bij elke nieuwe werkeloze rinkelde de kassa op de bovenste verdieping in Amsterdak. Nieuwe Mercedes voor de directeur, penthouse, tweede bootje…

En nu zag masjinist Tom op de televisie zeggen dat het bedrijf streefde naar een bonuscultuur. Was hij al die uren die hij rond de klok had gereden dan vergeten? Hij had het niet direct over splitsen en onderdelen verkopen, maar het concern opdelen in cellen kwam natuurlijk op hetzelfde neer. Cellen die beter moesten presteren dan andere cellen, sneller en sterker moesten groeien. Kreeg je dan geen tumoren? Stond dat niet bekend als kanker?

Masjinist liep naar zijn locomotief en ging in de cabine zitten. Langzaam liet hij de stroomafnemers tegen de draad komen. De compressoren sloegen aan, zodat de remleidingen zich met lucht vulden, de ventilatoren draaiden alvast op volle kracht om later oververhitte motoren te voorkomen. De souplesse waarmee het allemaal gebeurde verbaasde masjinist niets. Al die jaren had hij zijn materieel goed onderhouden. Dat er hoogspanning op de bovenleiding stond, terwijl hij gemakkelijk kon zien dat de stekker niet in het stopcontact stak, deed bij hem geen belletje rinkelen.

Met een grote boog reed hij de trein door allerlei verlaten spookstadjes. Om zijn vakmanschap te tonen stopte hij langs de perrons waar intercity’s nu eenmaal moesten stoppen, maar er stapte niemand in of uit. Of vergiste hij zich en zat zijn trein vol met reizigers op zoek naar een vonk uit hun verleden? Dat moest wel, wat bij nadering van het eindpunt voelde hij een rilling door de trein gaan, gevolgd door een gejuich dat klonk alsof het van een oude langspeelplaat kwam. Masjinist kreeg er opnieuw tranen van in zijn ogen. De tijd kon hij daardoor niet meer lezen, maar het Klokgebouw herkende hij direct. Zou Tom dat werkelijk allemaal op willen geven. Zat hij echt in die onpersoonlijke, alleen op buitenkant gerichte toren in Amsterdak? Nee, masjinist kon het niet geloven. Zo was Tom niet. Die had idealen die hij nooit zou verraden, net als masjinist zelf.

Zo mijmerend, bleef de oude, stramme en beetje verkleurde treinbestuurder, nog heel lang in de cabine zitten. De verlichting van het Klokgebouw ging uit, weer aan, uit, aan en ga zo maar door. Voor masjinist duurde het slechts zo lang als één keer knipperen met je ogen. Telkens als hij ze weer opendeed, was hij bang dat zijn blikveld leeg zou zijn, zijn toren gesloopt. Wie zou hem kunnen vertellen dat, zolang er mensen vanuit zijn trein zoekend omhoog kijken, de klok in de toren onvermoeibaar door zal blijven tikken?

 

Tam Tam

l

Het vroor hard buiten en ook op zolder was het koud. Er stond wel een piepklein kacheltje, maar dat was geen partij voor Koning Winter. Zelfs op het modelspoor waren wissels bevroren. Dat kwam omdat Faber, in een poging sneeuw na te bootsen, een zak met kleine, blauwwitte plastic korreltjes over de baan had uitgestrooid. Uren waren ze bezig geweest om die korreltjes uit de belangrijkste wissels te peuteren, zodat ze in ieder geval een rondje rond de kerk konden rijden. Maryse stelde voor de treinen langer te maken. Dat was wel zo prettig voor de reizigers.

Masjinist had zo zijn twijfels. Langere treinen, dat vond hij prima. Maar zouden ze het met elkaar eens kunnen worden over welke treinen waar dan moesten rijden? Het begon al goed toen Maryse hem belde op het moment dat hij net in Het Bosch was gearriveerd. Er stond een kapotte trein bij Tolburg en nu moest masjinist een andere trein rijden dan op zijn dienstkaartje stond. Masjinist zuchtte naar buiten, waar hij Tom en Maryse hoorde ruziën. Even later werd er opnieuw gebeld. Die andere trein was opgeheven en masjinist kon gewoon zijn dienst vervolgen. Te laat om nog naar het verblijf terug te wandelen.

Ondertussen had Faber echter al een andere machinist geregeld voor de trein naar Youtrecht en die stond zijn plaats niet meer af. Masjinist ging dus maar op een bankje zitten ‘passagieren’. Ook van Youtrecht tot Amsterdak had Faber al iets georganiseerd. Masjinist bromde terug naar zijn bankje. In Amsterdak had hij schaft. Nu was hij dus al drie en een half uur aan het werk, maar had hij nog geen cabine van binnen gezien. De stoptrein van Eindhaven naar Het Bosch telde niet mee.

Gelukkig reed de intercity van Amsterdak naar Hoofddorp wel. Daar mocht hij vervolgens een half uur op het middenspoortje wachten. (Masjinist had het altijd een vreemde naam gevonden, Hoofddorp. Je moet wel lef hebben om jezelf, omringd door grote steden, het belangrijkste dorp, hoofddorp, te noemen.) Vlak voor hij eindelijk een echt stuk mocht gaan rijden, werd er weer gebeld. Maryse zei dat de trein ook in Hilterum Sportveld moest stoppen, hoewel dat niet op zijn dienstkaartje stond. Masjinist wist dat haar nichtje daar woonde. Toch goed dat ze het even doorgaf, anders was hij er mooi met veertig kilometer per uur voorbij gescheurd.

Een echt gemakkelijke rit werd het niet. Op Het Vliegveld gaven de informatieborden aan dat zijn trein naar Hoofddorp, Oude Vennep en Lijmen ging. Dat was de andere kant op. Amsterdak Zuid gaf Almeeste op als bestemming. Op Kraaiendrecht stond in de borden dat mensen in de trein naar Anjerstad stapten en in Hiltersum gingen de reizigers zelfs aan boord van de gecombineerde intercity naar Gloningen en Welpwarden! Dubbel fout, deze trein kon helemaal niet gesplitst worden. De ene helft zou naar Welpwarden kunnen rijden, maar de andere helft zou – bij gebrek aan motoren – naar Gloningen geduwd moeten worden. Het was nog een wonder dat bij aankomst in Youtrecht slechts drie of vier mensen in de verkeerde trein zaten.

Vijf minuten te laat arriveerde masjinist bij zijn volgende klus, de intercity naar Den Heg. Hier bleek pas echt iets van de verlengde treinen. Acht bakken Koprijder, maar slechts één conducteur. Een conducteur die niets wist van de verlengde trein, hoewel hij daarover gebeld had moeten zijn. Schoonheidsfoutje in de communicatie. Gelukkig was hij wel bereid de trein te laten rijden. Gelukkig, vooral voor de reizigers. Want wat heb je aan langere treinen die, omdat ze te lang zijn, niet rijden? De rit verliep voorspoedig en eindelijk kon masjinist even ontspannen en van de reis en de omgeving genieten. Dit land is toch het allermooiste als je er zo min mogelijk van ziet.

In Den Heg stapte masjinist over naar zijn laatste trein, de intercity naar Eindhaven. De Koprijders waar hij vanaf kwam, stroomden ondertussen vol met reizigers naar Enmetdee. Drie minuten voor vertrektijd, stroomde het achterste – en natuurlijk volste – deel van de trein weer leeg. Dat deel bleef namelijk achter in Den Heg. Jammer dat niemand dat iets eerder wist te melden.

Zijn eigen trein kon stipt op tijd vertrekken. Een meevaller en masjinist had er zin in. Dat ging een hele poos goed, toen hij net voorbij De Heg Maryselandse Spoor werd gebeld door de treindiensleider. ‘Meester,’ had deze gezegd, ‘u loopt zo dadelijk voor een rood sein. Dat komt omdat u door een omgeleide trein gepasseerd gaat worden, maar deze zit vlak achter u.’

Met vijf minuten vertraging stopte de trein langs het perron in Helft. Masjinist liet het niet op zich zitten. Hoewel het druk was in de trein en dus ook op de perrons, wist hij de vertraging terug te brengen tot drie minuten in Breeda en twee minuten in Tilborg. Met een klein beetje hulp van de treindienstleider, wist hij zelfs op tijd de Eindhaven te bereiken. Toch nog een voldoening gevende dienst, hoewel hij de laatste rit eigenlijk te veel reizigers of te weinig trein had meegekregen.

De drie kinderen vonden de proef met langere treinen prima geslaagd. Masjinist werd niets gevraagd, maar hij had er zo zijn eigen mening over. Een aantal treinen was weliswaar verlengd, maar hadden ze enig idee welke dat waren, waar ze reden en door wie ze gereden werden? Nou ja, hij was gelukkig weer thuis. Of alle treinen die avond hun bestemming gehaald hebben, daar is masjinist nooit achter gekomen. Van die ene conducteur, die in de vrieskou op een klein stationnetje tussen Gezwolle en Welpwarden is achtergebleven, heeft nooit meer iemand iets gehoord.

 

 

 

 

 

Mooi grauw is niet lelijk

Het hoeft geen mooi weer te zijn om van het uitzicht te genieten. Of beter gezegd: Het wás mooi weer tussen Eindhoven en Den Helder. De klok op de foto’s staat nog in zomertijd en geeft de gebeurtenissen dus een uur te laat weer.

Naderen station Utrecht Centraal, verblind door felle bouwlampen

Enkelspoor naar Den Helder

Koeien en schapen in de wei tussen Abcoude en Breukelen

Mooi grauw is niet lelijk

Follow my blog with Bloglovin

Ontsnapping van het kerkhof

Mat 64 in Weert

Kerkhof in Weert

Masjinist keek naar de beelden op de televisie die de kinderen aan hadden laten staan toen ze gingen eten. Allemaal thuis, bij hun eigen ouders. Op Maryse na, die het hele weekend bij haar oma bleef logeren. Hij stond stokstijf langs zijn locomotief op de grond. Van verbijstering vergat hij zelf te ademen. Treinen die hij zo goed kende, die hij tot zijn persoonlijke vrienden rekende, werden naar metaalopkopers gereden, gesleept of zelfs per vrachtwagen of boot vervoerd. Met als enige doel een einde aan hun leven te maken. Een gruwelijk einde, mag wel gezegd worden. Masjinist kon het niet aanzien, maar hij moest blijven kijken.

Met grote branders werden de uitstekende delen van de trein ruw geamputeerd. Een trein heeft ook gevoel hoor, wilde masjinist schreeuwen. Maar er kwam geen geluid uit zijn keel. Daar viel de geleidehoorn van de koppeling op de betonnen vloer. De metalen schreeuw van pijn sneed masjinist door het hart. Zouden alle treinen zo eindigen als ze oud en versleten waren? Masjinist kon het zich niet voorstellen. Hij kon zich niet eens voorstellen dat hij zelf ooit oud zou worden.

In zijn hoofd begonnen zich wilde gedachten te vormen. Nee, zijn locomotief slopen, dat zou hij nooit toestaan. Hij zou diep in de nacht het helse terrein binnendringen en zijn loc zo stil mogelijk naar buiten rijden. Daarna zouden ze samen op volle snelheid naar de bergen rijden. Masjinist had weleens gezien dat daar grotten en tunnels waren waar ze zich konden verschuilen.

Terwijl het wervelde in zijn hoofd, hoorde hij snelle voetstappen de trap op komen. De kinderen, of tenminste twee van hen, waren terug. Hij hoopte dat Tom er één van was, hij had zin om weer te gaan rijden. Wat afleiding van deze moordlustige beelden vol martelingen. Voorlopig waren hij en zijn locomotief nog niet oud. Er was geen enkele reden te denken dat ze al snel op de sloop zouden belanden. Maar als het ooit zou gebeuren…

Van Hout naar Zout

Muziekgebouw aan 't IJ, Amsterdam

Gentechnologie

Stampers en meeldraden, helmknoppen met meiose, haploïde cellen die stuifmeelkorrels worden, vrucht- en zaadbeginsels, zelfbestuiving en kruisbestuiving, stuifmeelbuis en stijl, zygote en kiem. Het lijkt een losbandige avond te worden in het Muziekgebouw aan ’t IJ. Tenminste, voor de stoelen, banken en kasten, want ik heb hier slechts in enkele kernwoorden de ontwikkeling van een boom beschreven, in een grijs verleden bij biologie op school geleerd. Als ik zo nog een tijdje door ga, krijg je vanzelf hout. En hout is een belangrijk thema vanavond.

Vader Poppe heeft zijn hele leven voor natuur en milieu gestreden, zeg maar voor hout in zijn oorspronkelijke vorm, zoon Poppe heeft een stuk hout in de computer gestopt en weer in cellen ontleed. Negenhonderd van die cellen heeft hij vervolgens geselecteerd en genetisch gemanipuleerd. Experimentele biologie zou je het kunnen noemen. Enno Poppe blijkt een waardig opvolger van de monnik Gregor Mendel, want aan zijn kunstmatig gecreëerde boom blijkt een klarinet te groeien. Door die negenhonderd cellen bovendien in een muzikale compositie te verwerken – composteren – is de cirkel van kiem naar boom, van boom naar klarinet en van klarinet terug naar cel – of zaad – weer rond. Monnikenwerk dus. Of dat te danken is aan kruisbestuiving of zelfbestuiving is me niet helemaal duidelijk.

Reset

Deze compositie, Holz, wordt vanavond uitgevoerd door het Ensemble Mosaik onder leiding van de componist zelf. De eerste klanken laten echter op zich wachten. Poppe gebruikt namelijk graag microtonale afwijkingen van zuivere toonsoorten. Die vind je niet op de piano. Gelukkig beschikt het Muziekgebouw over een heus 31-toons orgel. Dat waren ze echter vergeten van zolder te halen. Geen nood, met een computer en een master-keyboard kom je er ook. Maar dan moet je geen computer nemen die ook in de Sprinter Light Train (SLT) gebruikt wordt.

De avond begint voor mij dus alsof ik in de cabine van een trein zit. Alvorens er vaart gemaakt kan worden, moet het ensemble eerst gereset worden. Componist en dirigent Enno Poppe, bekijkt het met een onwaarschijnlijke kalmte, armen over elkaar gevouwen voor de borst. Hij kent duidelijk de eerste twee fases van het opstarten van de SLT. Fase één: geduld en fase twee: geduld. Het lijkt erop – en dat denkt een groot deel van de zaal – dat het bij de performance hoort. Maar voordat fase drie bereikt wordt, heeft het appeltje begrepen wat er van hem verwacht wordt en kan het hout gaan groeien.

Zure druiven

Fruit van de supermarkt. Ik weet niet hoe ze het voor elkaar krijgen, maar je koopt het keihard en niet rijp om het een dag later zacht en beschimmeld weg te gooien. De eetbare fase wordt – ik denk om marketingtechnische redenen – gewoon overgeslagen. Gelukkig heeft Enno Poppe nog iets leuks kunnen doen met een schaaltje overrijpe druiven, anders waren ze zinloos de vuilnisbak in gegaan.

Stel je een grote tros druiven voor. Blauwe druiven met vruchten van verschillend formaat. Haal ze van de boom, uit de warme zon en zet ze in een koele ruimte, zodat de vruchten kippenvel krijgen. (Vegetariërs verzinnen zelf maar een ander soort vel.) Til vervolgens de tros aan het steeltje omhoog en probeer je te verbeelden hoe twee druiven, al jarenlang goede buren, verkillen en ruzie krijgen. Van een enkel vervelend woordje, een kleine scheldpartij, groeit die ruzie uit tot een schimmel waaraan de hele Tros ten onder gaat. Dat is Trauben van Enno Poppe. De componist is wel zo vriendelijk de zaal, aan het eind van het werk, niet in een rottende massa gistende druivenpulp te laten zitten. Het laatste woord is aan het steeltje, dat zich, van zijn gewicht bevrijd, tevreden tussen duim en wijsvinger nestelt, speels vertolkt door de piano.

Uit de kast komen

Ik heb de vervelende eigenschap, op elk stukje papier dat in mijn handen valt aantekeningen te maken van ideeën en stukjes tekst die me op dat moment te binnen schieten. Dat kan een dienstkaartje zijn, een al dan niet lege envelop of iets anders onbelangrijks, maar voor hetzelfde geld een contract dat ik binnen drie dagen ondertekend terug moet sturen. Daar komt dan niets van terecht, want aantekeningen gooi ik nooit weg, die belanden in stapels op mijn bureau. Een heel enkele keer, als ik echt geen millimeter ondergrond meer zie, blader ik eens door die aantekeningen en combineer ik de leesbare delen van verschillende vodjes tot een verhaal of column.

Enno Poppe, die, met zijn lange, magere lichaam waaruit een enorme bos rood haar piekt, wel wat wegheeft van een warhoofd, hanteert voor zijn composities waarschijnlijk dezelfde methode. Elf kladblaadjes zijn uit de kast gekomen, opgefrist en – waar hij ze zelf niet meer kon lezen – aangevuld, en vormen nu de compositie Schrank, een moeilijk woord voor Kast. Een afwisselend werk waarin steeds een ander instrument de hoofdrol vertolkt. Het zou jammer zijn geweest als deze noten in de la waren blijven liggen, aardig is het natuurlijk niet van Poppe. Kom je als potentieel kunstwerk uit de kast, verdwijn je in een Schrank, een Duitse kast! Zijn opvallend vierkante, robotachtige dirigeertechniek doet trouwens vermoeden dat Enno Poppe zelf ook enige tijd in de kast heeft doorgebracht.

Zo zout…

Dat raakt een gevoelige snaar, want zonder een ogenblik rust te nemen strooit hij nog wat zout in de wonden. In Salz is een belangrijke rol weggelegd voor het 31-toons orgel, met zijn bijzondere stemming. Wij zijn gewend, of beter: ons gehoor is gewend, een octaaf te verdelen in twaalf halve toonsafstanden. Nu horen we het 16-voudige daarvan, zodat een octaaf maar liefst 192 verschillende tonen omvat.. Daar valt nog eens een akkoordje op aan te slaan.

Dat doet de toetsenist dan ook naar hartenlust. Het effect is ronduit verbluffend. Ik had onaardse, vervreemdende, wringende klanken verwacht, maar het geheel klinkt… aangenaam. Een beetje droevig, maar melancholisch droevig. Bovendien zit er een internationaal tintje aan de klank. Door de veelvoud aan klanken, is er geen sprake meer van Westerse toonladders met hun dwingende, op winst beluste leidtonen. In plaats daarvan hoor ik een zigeunerorkest, Arabische hypnotiserende haremmuziek, traditionele Japanse Noh, mediterende Tibetaanse monniken, Chinese Taoïsten en een keur aan natuurvolken, die ieder op eigen wijze de goden proberen te verleiden met de ritmische taal die zij gemeenschappelijk hebben. Voor gamelan-liefhebbers moet deze muziek gesneden (spek)koek zijn.

Salz blijkt verrassende muziek die, ondanks dat het via wiskundige algoritmes tot stand is gekomen, toch beeldend in het gehoor ligt. Vrolijk en jammerend, gelukkig en doods, ontroerend en afstotend, emoties die bij formule-composities meestal ontbreken. Jammer dat Poppe de golfbeweging waarmee hij deze compositie begint, uit laat lopen op een oorverdovende tsunami van geluid. Iedereen weet toch dat een piccolo alleen bestemd is voor mensen met te korte armpjes die dwarsfluit willen spelen en niet om je gehoor gillend de zaal uit te jagen? Met pijnlijk piepende oren heb ik één titelsuggestie voor Enno Poppe: Brandende Piccolo, een duet voor basfluit en knisperend haardvuur. Ik zal graag bij de première zijn.