‘Vuile teringlijder, het is allemaal jouw schuld dat we hier nu lopen. Ik had allang weg moet zijn, maar jij moest zo nodig naar de dierentuin. Je wist dat ik helemaal niet kon, en nu ben ik te laat. Ik ben voor jou meegegaan. En nou wil je niet eens de auto halen. Zo haal ik het nooit. Ik sta altijd voor iedereen klaar maar nooit is er iemand die iets voor mij doet. Val toch dood. Alles moet ik alleen doen.’
De scheldpartij gaat ononderbroken door terwijl we door de striemende sneeuw langs het water naar het hotel lopen. Niet direct naar het station, meneer moet eerst nog douchen en zich omkleden. Hij heeft ook vast bedacht dat ik zijn broek in de tussentijd strijk, de juiste treininformatie opzoek en nog wat andere kleine klusjes voor hem doe. Maar het liefst heeft hij dat ik de auto haal en hem vanaf het hotel, dwars door Amsterdam naar zijn bestemming breng. Mijn bekentenis dat ik niet door het centrum durf te rijden laat hem koud.
Het schelden stopt was als we de hal van Amsterdam Centraal binnen lopen en we de trein in stappen. Als er anderen bij zijn is hij de aardigheid zelf, de komiek als het hem zo uitkomt.
‘Je hoeft heus niet mee te gaan hoor. Ik ken het openbaar vervoer wel.’ Met een gezicht van hij doet net of ik een klein kind ben kijkt hij naar de mensen in de banken achter hem.
‘Zeker weten?’
‘Ga nou maar.’
Ik zwaai nog een keer als de trein naar Haarlem vertrekt en ga terug naar het hotel. De kaartjes voor Artis zitten nog in mijn jas. Bijna veertig euro, dat is vier euro voor elke minuut dat we er geweest zijn.
Als ik denk dat hiermee de zaak is afgehandeld, heb ik me echter gruwelijk vergist. Ik bel hem op en vraag of hij een paar boodschappen mee wil nemen op de terugweg. Met de woorden ‘Ik ga naar huis, ik heb mijn ouders gebeld. Ze komen me ophalen,’ steekt hij een dolk onder mijn hart. Het betekent niet alleen een breuk tussen ons, maar ook dat ik gefaald heb. Hij vaagt in een keer weg waar ik drie maanden lang dag en nacht voor geleefd heb. De taal die hij nu uitslaat is zo gemeen en vlijmscherp op mijn persoon gericht, dat ik er letterlijk buikpijn van krijg. Maar dat deert hem niet. Zij tirade gaat tot diep in de nacht door. Iedere Amsterdammer wordt door hem hoogstpersoonlijk levend gevild en te kijk gezet. Rotzakken zijn het, allemaal. Hij schreeuwt het in een iets andere bewoording vanaf de twintigste verdieping.
De volgende ochtend ben ik gebroken. Meer dan drie uur heb ik niet geslapen, en dan nog met onderbrekingen. Hij ook niet. Hoewel hij nog steeds volhoudt naar huis te gaan, is er niemand die hem komt halen. Ik had het kunnen weten. Hij zou zijn moeder gebeld kunnen hebben, misschien zijn vriend, maar zeker niet zijn ouders. Een detail dat me onder normale omstandigheden niet ontgaan zou zijn. Maar met hem erbij is niets normaal.
Zwijgend lopen we naar de ontbijtzaal. Ik ga aan een tafeltje zitten, meneer ploft in een luie stoel en verbindt zich met het internet. Terwijl ik me afvraag hoe dit in hemelsnaam verder moet, valt zijn oog op een advertentie op het beeldscherm van zijn laptop.
‘Soldaat van Oranje! Daar moet ik heen. Zal ik kijken of er nog kaartjes zijn?’
Ik durf er niet op te hopen, maar wonder boven wonder zijn ze er. Eerste rang in het midden vooraan, beter kan haast niet. God bestaat.
In de auto, op weg naar de loods op vliegbasis Valkenburg, weerkaatsen allerlei musicalliedjes met orkaankracht door de kleine ruimte. Zijn laarsachtige schoenen steken schuin omhoog op het dashboard, zodat ik bang ben dat de voorruit er vroeg of laat uitgedrukt zal worden. Zijn kinderlijke vrolijkheid is echter zo’n verademing na afgelopen nacht, dat ik er niets van zeg. Ik maak wel een paar keer een opmerking over de voortdurend open en dicht schuivende zijruiten en zijn linkerhand die af en toe geniepig mijn stuur naar rechts trekt. Minder prettige dingen bij honderdtwintig kilometer per uur. Het grootste deel van de route blijf ik dus met tachtig achter vrachtwagens plakken.
De terugweg vanaf Valkenburg wordt het hoogtepunt van mijn wat ik twee dagen eerder nog vakantie noemde. Verhalen en anekdotes over de theaterwereld die hij zo goed kent, stromen helder en enthousiast over zijn lippen. Hij houdt van musicals, hij is verliefd op de spotlights. Af en toe staart hij een moment stil mijmerend voor zich uit. Een heel enkele keer fluistert hij zo hees dat er kippenvel op mijn huid verschijnt.
Tijdens de laatste kilometers kijk ik hem even vanaf de zijkant aan. Heel voorzichtig, onopgemerkt. Zijn jongensachtige profiel steekt duidelijk af tegen de ondergaande zon. ADHD valt hem even niet lastig en laat hem rustig ademen. Gepest om zijn liefde voor musicals, verguisd om zijn tv-optreden, maar als autoriteit gezien in hogere kringen, onze vertegenwoordiger in Brussel, zie ik een jongeman die zo dicht bij me zit en tegelijk zo onbereikbaar is, dat mijn keel wordt dichtgeknepen. Wat zou ik hem graag vasthouden, omhelzen zonder een woord te zeggen, hem laten weten dat ik er voor hem ben, dat alles goed komt, maar ik durf nog geen vinger naar hem uit te steken. Bang voor zijn reactie. Bang dat zijn huid onder mijn aanraking zal scheuren en hij in stofdeeltjes uiteen zal vallen. Op zal lossen. Vergaan.
Zo zit hij daar. Broos. Alleen. Kwetsbaar.

















